Laatst bijgewerkt; 22 mei 2013 (Geitjes)


Het aanschaffen van een huisdier


Veel mensen zijn gek op huisdieren. En wat is voor een dierenliefhebber leuker dan een nieuw huisdier in huis? Maar voordat u een nieuw huisdier aanschaft, is het belangrijk om uzelf een aantal vragen te stellen. Zo weet u zeker dat u een keuze maakt die bij u en uw situatie past. Het kan zijn dat u besluit dat u nu beter geen huisdier kunt kopen, bijvoorbeeld omdat het u teveel tijd kost of omdat u de kosten van een huisdier te hoog vindt. Het kan ook zijn dat u vindt dat een dier juist heel goed bij u en uw persoonlijke situatie past en dat een dier meer dan welkom is. In dat geval heeft u, doordat u er van tevoren zorgvuldig over nagedacht heeft, een prima basis om goed voor uw nieuwe huisgenoot te kunnen zorgen. En dat is de beste garantie om samen een heel plezierige tijd tegemoet te gaan. 


Waarom wil ik een huisdier aanschaffen?


Als u van plan bent om een huisdier aan te schaffen, is het belangrijk dat u zichzelf eerst de vraag stelt waaróm u graag een huisdier wilt. Misschien...


  • Bent u op zoek naar gezelligheid en zoekt u een dier dat u lekker kunt aaien en knuffelen?
  • Wilt u een maatje dat structuur in uw leven kan brengen? 
  • Wilt u een dier omdat dit dier u in contact kan brengen met andere mensen, bijvoorbeeld doordat het uitgelaten moet worden? 
  • Wilt u een dier dat boeiend is om naar te kijken en interessant om u in te verdiepen?


Soms spelen ook andere zaken mee:


  • Sommige mensen willen een dier omdat dit een bepaalde status met zich meebrengt.
  • Soms willen mensen zich onderscheiden van anderen. 
  • Anderen willen een dier vanwege het schattige uiterlijk. 
  • En soms wil men een bepaald dier omdat daar in de media veel over geschreven wordt.


Laat u door zulke aspecten niet beïnvloeden, maar probeer voor uzelf duidelijk te maken waarom u een huisdier wilt aanschaffen. Als u dit helder hebt, dan kunt u voor uzelf nagaan of dit de juiste motieven zijn om aan een huisdier te beginnen. Want als u eenmaal een dier aangeschaft heeft, dan heeft u daarmee ook de verantwoordelijkheid op u genomen om er goed voor te zorgen. Het antwoord op de vraag waarom u een huisdier wilt hebben, is bovendien richtinggevend voor het soort of ras dat aan uw verwachtingen voldoet.


Geef een huisdier NIET cadeau!


De aanschaf van een huisdier moet een weloverwogen keuze zijn. U wilt er immers zeker van zijn dat u voldoende tijd en ruimte heeft voor een dier en dat u genoeg weet over het dier om er goed voor te kunnen zorgen. Een dier moet tenslotte bij u passen, u wilt er enthousiast over zijn en er van kunnen genieten.


Helaas gebeurt het nog te vaak dat mensen bij bijvoorbeeld een verjaardag, een huwelijk of een andere gelegenheid een dier cadeau doen, zonder dit van te voren te overleggen met de toekomstige eigenaar. Die heeft daardoor geen gelegenheid om te bedenken of hij een dier wil, welk dier dan goed bij hem past en om zich voor te bereiden op de komst van een nieuwe huisgenoot. De nieuwe eigenaar kan dan ook behoorlijk met zo’n dier in zijn maag zitten als blijkt dat u als gever een ander idee had over het perfecte huisdier dan de ontvanger. De kans is daardoor aanzienlijk dat het dier in een asiel belandt. Het kan ook zijn dat het dier wel mag blijven, al is het maar omdat men de gulle gever niet voor het hoofd wil stoten, maar dat het onvoldoende zorg krijgt vanwege een gebrek aan tijd, kennis of interesse. Dat was natuurlijk helemaal niet wat u voor ogen had!


Een dier cadeau geven is daarom geen goed idee. Als u denkt dat iemand een huisdier heel leuk zou vinden, geef hem dan bijvoorbeeld liever een leuk boek cadeau waarmee hij of zij van alles over dat huisdier te weten kan komen. En als het u nou toch echt heel leuk lijkt om het dier zelf te geven, overleg dan eerst met de ontvanger of die dat wel ziet zitten. Zo kan deze precies aangeven wat hij wel en niet wil, kan hij zich goed voorbereiden en bovendien delen in de voorpret. Ga het dier samen uitzoeken en maak daar een feestje van. U maakt iemand ten slotte pas echt blij met een dier als dat dier ook een goede match is!

Bron; LICG 


Als je een huisdier aanschaft horen daar natuurlijk niet alleen dierenmanieren, maar ook de juiste baasjesmanieren bij .

Wat er onder andere van een baasje verwacht wordt, en waar het baasje dus voor moet zorgen lees je hieronder. Voor het houden van konijnen, de hond, kippen, cavia's, vogels, varkentjes en geiten etc.. ;

 

Maar we beginnen natuurlijk met......

De vijf Vrijheden;

In de meeste landen is men gelukkig overeengekomen dat huisdieren de vijf vrijheden moeten genieten;

Vrij van honger en dorst; met vers water binnen bereik en eten om krachtig en gezond te blijven.

Vrij van ongemak; door het aanbieden van een geschikte omgeving inclusief beschuttin en een comfortabele rustplek.

Vrij van pijn, verwonding en ziekte; door voorzorg of snelle diagnose en behandeling

Vrij om je normaal te gedragen; door het verschaffen van voldoende ruimte, propere voorzieningen en gezelschap van zijn eigen soort.

Vrij van angst en pijn; door beschermende omstandigheden en zorg die mentale pijn vermijdt.

 

Konijnen

Het konijn werd vroeger door de Romeinen gehouden voor het vlees en de vacht. In de Middeleeuwen begonnen Franse monniken het konijn als huisdier te houden. In de 19e eeuw werden er verschillende rassen gefokt. Er zijn in Nederland tegenwoordig wel 50 verschillende rassen. Soms gaat men ermee naar een tentoonstelling, waar de mooiste (meest rasspecifieke) wordt uitgekozen.

Knaagdieren en konijnen horen tot de ‘ kleine zoogdieren’. Zoogdieren zijn dieren met een ruggengraat, beharing en over het algemeen levend barend. Voorbeelden van kleine zoogdieren zijn cavia’s, muizen, ratten, hamsters, fretten en chinchilla’s. Een groep hele diverse diersoorten, maar die qua gedrag wel op elkaar lijken. Ze knagen of bijten graag.

Konijnen behoren tot de haasachtigen. Als je ze loslaat in de kamer kunnen ze gaan knagen aan meubilair, planten en snoeren. Het konijn is een groepsdier. Het beste is het om er minimaal twee samen te houden. Om een misverstand uit de wereld te helpen; een konijn is geen knaagdier!!

GEDRAG.

Een konijn is een vlucht- of prooidier. Als je een konijn van bovenaf ineens wilt oppakken kan deze soms heftig schrikken en wegrennen. Vaak worden konijnen gehouden met cavia’s. Cavia’s gedragen zich echter anders dan konijnen en als je ze samen in één hok wilt houden is het verstandig verschillende verstopplekjes te maken zodat de dieren ook elkaar kunnen ontlopen. Konijnen zijn intelligente dieren, ze willen dan ook graag afwisseling. Regelmatig een ander speeltje, een keertje uit hun hok, zomers in een buitenren, dat zijn manieren om je konijn gelukkig te houden.

HUISVESTING

In de natuur rent het konijn veel en ver. De grootte van het hok moet daarom ook afgestemd zijn op een stukje natuurlijk gedrag waarbij er gesprongen en gerend kan worden. Sommige rassen zijn beweeglijker dan andere. Als je niet zoveel ruimte hebt, kan je ook een konijnenhok met een verdieping kopen. Er zijn allerlei soorten en maten, maar over het algemeen geldt: hoe groter hoe beter! Je kan konijnen ook zindelijk maken door een speciale konijnen-w.c. in een vaste hoek te plaatsen, die te koop is bij de dierenspeciaalzaak.

Omdat konijnen graag graven is het belangrijk om het gaas van een buitenren goed diep in de grond te steken, want anders kunnen ze makkelijk ontsnappen. Naast een hok is het ook wenselijk een ren te hebben zodat je het konijn ook eens op het gras kunt zetten. Op de bodem van het hok kan je een oude krant leggen, erop stro of hooi. Daar kan een konijn aan knagen en een lekker holletje van maken.

Als je konijn in de winter buiten blijft, moet je hem daar aan wennen door hem niet binnen te halen. Dan kan het een voldoende dikke vacht vormen. Zorg ervoor dat er voldoende stro in het hok ligt zodat het konijn zich warm kan houden.

De opening mag niet in de wind staan, het mag niet tochten en het dak moet waterdicht zijn. Een extra jutezak ervoor kan helpen voor wat extra beschutting als het erg koud is. Zorg ook dat je konijnen altijd met zijn 2-en houdt. Ze hebben een maatje nodig. Een konijn allen voelt zich niet gelukkig. Ben er wel zeker van dat het mannetje gecastreerd is anders zitten wel al snel met nog meer konijnen en dat willen we nou NET NIET!!

VERZORGING

Langharige konijnen en konijnen die aan het verharen zijn moeten worden geborsteld. Er zijn hiervoor speciale borstels te koop, maar een honden of kattenborstel voldoet ook. Bij kortharige konijnen die erg verharen kan ook een licht vochtig washandje worden gebruikt. Afhankelijk van de vachtsoort van het konijn moet je toch regelmatig borstelen. Sommige mensen laten het haar van hun langharige konijn knippen in erg warme zomers kort, zodat het konijn het niet te warm heeft. Een konijn mag je nooit aan zijn oren oppakken (zoals een goochelaar dat op plaatjes wel eens doet). Het beste is één hand in het nekvel en met de andere hand de onderkant van het konijn ondersteunen. Voorkom dat een konijn zich met de sterke achterpoten afzet en niet goed wordt ondersteund. Hij kan dan namelijk zijn rug breken.

VOEDING

Een konijn is een planteneter en heeft behoefte aan veel vezels. Die zitten vooral in ruwvoer, zoals hooi en gras. Het konijn moet altijd onbeperkt hooi ter beschikking hebben. Ook gras en groenten bevatten vezels, maar geef hiervan niet teveel om diarree te voorkomen. Goed, volledig konijnenvoer (korrels) ernaast bevat de overige nodige voedingsstoffen. Vraag de dierenwinkel om advies welke brokjes en hoeveelheid gegeven mag worden. Pas op dat een konijn niet te dik wordt.

Konijnen eten ’s nachts een deel van hun eigen uitwerpselen op. Dit is volledig normaal voor deze diersoorten. Sterker nog:

het is belangrijk dat zij dit doen omdat deze speciaal gevormde (wat zachter) uitwerpselen een belangrijke bron zijn van eiwitten en vitaminen die door darmbacteriën zijn geproduceerd. Konijnen vinden het lekker om op takken te knagen, bijvoorbeeld van wilgen. Dit geeft afleiding, levert extra vezels op en is goed voor het gebit. De tanden en kiezen van konijnen groeien namelijk het hele leven lang door en moet door knagen steeds afslijten. Als dit niet gebeurt kunnen ze gaan doorgroeien en ernstige problemen veroorzaken in de bek. Een konijn moet onbeperkt vers water kunnen drinken. Er zijn speciale drinkbakjes of flesjes te koop.

DIERENARTS

Om te voorkomen dat konijnen ziek worden, kan er tegen een tweetal ziekten, myxomatose en een dodelijk besmettelijk darmvirus (VHD) geënt worden. Houd er bij konijnen verder rekening mee, dat de nagels soms geknipt moeten worden.

Het komt voor dat tanden soms niet gelijkmatig afslijten, met een speciale tandenschaartje kan de dierenarts de tanden knippen. Regelmatige controle van tanden en nagels is belangrijk om je konijn zo lang mogelijk gezond te houden.

Maar kijk zelf ook regelmatig of je konijn geen wondjes of diarree heeft.

 


Hond

 

Geschiedenis

Alle honden stammen van één voorvader af: de wolf. Toch verschillen de rassen veel van elkaar en zien ze er anders uit. Er zijn wel 400 verschillende hondenrassen. Honden zijn groepsdieren, in het wild leefden ze in een groep, dat wordt roedel genoemd.

Een nieuwe hond

Als er een nieuwe hond in huis komt zijn er een aantal zaken die je minimaal moet hebben, zoals een boek waarin alles staat over de opvoeding van een hond, voeding, voeder- en drinkbakjes, tandenborstel en hondentandpasta, halsband en riem, een hondenmand, speeltjes, een borstel aangepast op het vachttype. Maar voordat het zover is;probeer dan eerst maar eens deze tip, en kijk dan of je er nog wel aan wilt beginnen.

Kom vast in de stemming;

-Schenk op diverse plaatsen een scheut koude appelsap over de vloerbedekking en ga in het donker blootsvoet rondlopen.

-Draag een sok met een flink gat ter hoogte van je teen.

-Ga zodra je wakker wordt buiten in de regen staan en zeg ‘kom op’ brave hond zijn, plasje doen, schiet op!’

-Bedek je goede kleren met hondenhaar.

-Doe een vangspelletje met een kletsnatte tennisbal.

-Keer een mand met schone was om en verspreid de inhoud over de hele vloer.

-Spring vlak voor het eind van je favoriete televisieprogramma uit je stoel en ren naar de deur, terwijl je roept:’nee, nee! Dat moet je dan BUITEN doen!’

-Bewerk de poot van je eettafel een paar keer met een schroevendraaier, je pup gaat er straks toch op kauwen.

-Pak een warm, zacht dekentje en trek dat over je heen, zo voelt het straks als je een slapende pup op je schoot hebt liggen!

Nog steeds intresse in de warmte en kameraadschap van een hond? Lees dan nu gerust verder :-)

Uitlaten

Het beste is om met een jonge pup iedere dag vaak, maar kort (10 minuten) te gaan wandelen. Vaak wandelen is ook goed in verband met de zindelijkheidstraining. De duur van de wandelingen kan langzaam opgevoerd worden. Volwassen honden moeten uiteindelijk vier keer per dag worden uitgelaten. Totaal minstens één tot anderhalf uur per dag. Laat de hond ook regelmatig even los, zodat hij zijn energie kwijt kan, maar laat hem dan niet te wild rennen en springen. Eventueel kan een hond ook mee met een honden uitlaatservice.

Beweging

Het is belangrijk om te onthouden dat een hond gedurende minimaal zijn eerste levensjaar in de groei is. Een té snelle groei en een te zwaar lichaamsgewicht kan gepaard gaan met allerlei groei (bot) afwijkingen; een goede en evenwichtige voeding is dus van groot belang. Voor alle jonge pups geldt dat de duur van de wandeling in het begin niet te lang mag zijn en langzaam moet worden opgebouwd. Dus geen lange strand- of boswandelingen met een jonge hond! Spelen is voor een pup erg belangrijk. Het versterkt de band tussen baas en hond en het is goed voor mens en dier. Let er wel op: de eigenaar moet het spel beginnen en eindigen, om eventuele dominantieproblemen te voorkomen.

Zindelijkheid

Gelukkig is een hond van huis uit een zindelijk dier. Het is instinctief dat een hond zijn eigen nest niet zal bevuilen. (Het gros van de honden uit Spanje zal bij aankomst in Nederland onzindelijk zijn.) De ervaring leert dat honden in de regel erg vlot zindelijk zijn. Het is belangrijk om de hondgeregeld op vaste tijden de mogelijkheid te geven buiten te plassen of te poepen. In het begin betekent dat per dag misschien wel een keer of zes,zever naar buiten toe. Immers,zindelijkheidstraining staat of valt met tijdig anticiperen. Als de hond wakker wordt na een heerlijk tukkie is het slim om hem gelijk de mogelijkheid te geven om zich the ontlasten. De kans is dan toch groot dat de hond moet plassen en zich niet bewust is van het feit dat het niet de bedoeling is dat hij dat in uw huis doet. Ook na opwinding en stressmomenten moeten honden vaak plassen,evenals na het eten. Zeker in het begin komt er zoveel op uw hondje af dat het goed is om tijdig met hem naar buiten te gaan. Zo behoedt u hem voor ongelukjes. Het is goed mogelijk dat de hond er zelf nog niet aan denkt. Verder zal de hond moeten leren zich aan te passen aan uw uitlaattijden en soms betekent dat een langzame opbouw van de ruimte tussen de wandelingen,zodat de blaas ook ingesteld raakt op minder vaak plassen,eigenlijk zoals dat ook bij een pup werkt. De hond kan niet meer gelijk plassen als hij aandrang voelt,maar moet leren om daarbij te wachten totdat u hem daartoe de gelegenheid geeft. De meeste honden hebben het hele riedeltje maar al te snel in de gaten. Straffen als de hond in huis plast moet u niet doen. Straffen helpt niet mee bij het zindelijk worden. Het maakt het voor de hond alleen maar moeilijk om zich te ontlasten waar u bij bent,ook buiten aan de lijn. Wie weet krijgt hij wel op zijn kop. Iedere hond wordt zindelijk,het is alleen een kwestie van geduld en opletten!

Specifieke probleempjes

De lijn kan bij de zindelijkheidstraining soms echt een aardig obstakel zijn in het begin. Sommige honden vinden het aan de lijn lopen eng,waardoor ze zich niet veilig voelen om zich te ontlasten. Vaak zijn ze het niet gewend dat ze vlakbij een baas moeten gaan zitten en het feit dat ze vast zitten belemmert ze een kalm plekje te zoeken. De kalmte en rust erin brengen is dan belangrijk. Gewoon even een poosje blijven lanterfanten op een stukje gras maakt meestal wel dat de hond gaat plassen of poepen. Ook een langere lijn kan in dit geval gemakkelijk zijn omdat de hond dan iets meer ruimte heeft. Het is allemaal een kwestie van gewenning,de hond moet immers een hoop leren over het Nederlandse level! Verder kunnen prikkels vanuit de omgeving erg afleiden waardoor de hond zich niet kan ontspannen of gewoonweg te afgeleid is om iets te doen. Ook dan kan gewoon blijven staan op een bepaald stukje groen helpen. Soms gebeurt het ook nog wel eens dat de hond niet gewend is op gras te lopen,laat staan zich te ontlasten. Als de hond al jaren gewend is op het beton van het asiel te wonen voelt het gras aan je poten raar. Ook dit kan soms een belemmering geven als u de verwachting heeft dat de  hond wel even netjes op het grasje voor de deur wil gaan zitten.

Onzindelijkheid

Onderdanigheid of dominantie communiceert een hond met zijn houding en met zijn gedrag. Als een hond zich erg onzeker of bang voelt of zich enorm onderdanig wil opstellen kan de hond zijn urine lopen. Deemoedsplassen is geen onzindelijk gedrag. Het behoort tot de normale communicatie van honden. Het is gedrag wat u soms ziet als u,of bezoek,begroet wordt of als er drukte in huis is,wat de hond opwinding geeft en onzekerheid. Als een hond in contact zomaar zijn plas laat lopen is dat dus een gebaar van overgave of angst. Dat kan en mag u nooit straffen. Daarmee maakt u het de mond namelijk wel erg moeilijk. Zich ranglager maken dan hij al deed door te plassen kan immers haast niet en door straf lijkt u dat wel van de hond te vragen. Het plassen zal dan dus toenemen en er ontstaat een probleem wat nog maar zeer moeilijk te keren valt. Totale miscommunicatie! Wat u wel moet doen is de hond negeren,niet aankijken,niet aanspreken,niet aaien…u heeft even geen hond! Pas als de rust later dat moment is wedergekeerd kunt u de hond begroeten. Ook is het prima om de hond de mogelijkheid te geven om u buiten te begroeten. Dan plast ie maar een eind weg en hoeft u zich daar niet druk om te maken. Veelal verdwijnt dit gedrag vanzelf als de hond wat zelfverzekerder wordt. U kunt de hond daarbij een handje helpen door hem dingetjes te laten doen waar hij goed in is en om hem daarvoor te belonen. Deemoedsplassen hangt samen met angst en lossen. Deemoedsplassen is overigens bij pups een vrij normaal verschijnsel en met een juiste aanpak zal dit gedrag vanzelf verdwijnen. Zoals een hele onderdanige hond zijn plas kan laten lopen,zo kan een zelfverzekerde hond bewust ergens een urinespoortje achterlaten als handtekening ‘’dat is van mij’’. Dit noemen we markeergedrag. Soms onstaat er door de nieuwe hond watt onrust in de roedel  waardoor er eén van de honden kan gaan markeren in huis. Eigenlijk betreft dit vrijwel altijd ongecastreerde reuen. Het plassen in huis kan verdwijnen als de rangorde tussen de honden duidelijk is. Soms is het verstandig deskundige hulp in te roepen van een gedragsdeskundige om u van advies te voorzien! Het markeren zien we ook nog wel eens bij reuen,die net hun intrede hebben gedaan in hun nieuwe huis. Een vertrouwd luchtje aan de muren of aan uw meubilair lijkt ze het gevoel te geven dat het inderdaad hun terrein is. Het is belangrijk deze plekken goed schoon te maken,zodat de hond niet de indruk krijgt dat het goed is tegen uw bankstel aan te piesen. Veelal maakt een goede zindelijkheidstraining dat dit probleem verdwijnt. Verder kan een hond ook gewoon ziek zijn. Honden,die plotseling onzindelijk worden,daar is eigenlijk bijna altijd iets mee aan de hand. Een blaasontsteking zorgt voor het doen van vele kleine pasjes,maar ook een baarmoederontsteking of suikerziekte kunnen leiden tot onzindelijkheid. Bij plotse onzindelijkheid moet u dus altijd even langs de dokter. Ook een hondje dat nog niet zindelijk is kan een blaasontsteking hebben dus het is altijd handig om op te letten of het patroon van ontlasten zo ongeveer gelijk blijft.

Leren alleen te blijven

Alleen blijven is niet iets wat een hond van huis uit kan. Een hond is een sociaal dier en zal het liefste gewoon in gezelschap zijn van een roedelgenoot. Veel honden uit Spanje zijn niet gewend om alleen te blijven. Zonder mensen is dan nog tot daar aan toe,maar zonder andere honden hebben de meeste honden daar nog nooit geleefd. Veelal verloopt het leren alleen te blijven samen met een andere hond een stuk soepeler,omdat de hond immers niet alleen is,maar met een andere hond. Alleen blijven is niet een op zichzelf staand iets. Als een hond moeite heeft met alleen blijven zie je vaak al een voorbode daarvan in het normale gedrag in huis. De hond volgt de eigenaar overal,ligt vaak binnen een straal van een meter of twee van de baas af en is erg gericht op de eigenaar. Als een hond in het bijzin van de baas al geen zelfstandigheid laat zien,dan is ineens helemaal alleen thuis logischerwijs wat te veel gevraagd. Het is dus belangrijk dat de hond u niet overal achterna loopt in huis en dat u in huis af en toe eens even een deur achter u sluit. Alleen blijven moet iets compleet normaals worden. Geen extra aandacht van te voren en ook niet daarna. Als u even tien tellen koffie wilt inschenken in de keuken doet u dat dus gewoon. De ervaring leert dat de meeste honden in eerste instantie enorm aan hun nieuwe baasje kunnen hangen. Alles is vreemd en u bent zijn enige houvast. Meestal zie je dit gedraag na loop van een aantal weken wat afnemen. De hond voelt zich vertrouwder in de omgeving en zijn zelfvertrouwen begint wat te groeien. Dan pas is er eigenlijk ingang om de hond echt alleen thuis te laten. Het is dus wel goed om alleen leren op te bouwen door als u gewoon thuis bent af en toe even een paar tellen uit het zicht te gaan. Echt weg het huis uit is iets wat eigenlijk pas aan de orde komt als de hond in huis wat is gewend en u zich in huis vrijuit kunt bewegen zonder dat de hond verontrust raakt. Het is belangrijk dat de hond zich veilig voelt in zijn omgeving voordat hij er alleen  voor staat. Veel angsten tijdens het alleen zijn komen door gevoelens van onzekerheid en ontoereikendheid. De hond is bang omdat hij steun mist van de baas en nergens op kan terugvallen. De kunst van het goed leren alleen te blijven zit hem erin dat de hond deze gevoelens nooit zal ervaren,omdat hij geen gevoel van angst beleeft vanwege een kalme opbouw. Dan gaat het goed! Signalen van angst zijn nerveus gedrag,piepen of blaffen en krabben aan de deur. Dan gaat het de hond dus allemaal wat te snel! Bij erge angst zie je soms ook onzindelijkheid of sloopgedrag. Dan gaat u dus echt te snel en zult u het alleen blijven dus eigenlijk weer helemaal opnieuw moeten opbouwen,mogelijk met hulp van een gedragsdeskundige. Als u de hond voor de eerste keer echt even alleen gaat laten,is een goede wandeling van te voren een goede start. De hond zal dan moe zijn en lekker willen slapen. U kunt dan kalm vertrekken. U kunt de radio aanlaten tegen de buitengeluiden en u kunt een zinnetje gebruiken waarmee u aankondigt dat u even weg bent. Hier schalt‘’Ben even boodschappen doen!’’ vaak door het huis en dat is voor de honden de herkenning dat er niets gaat gebeuren en dat ik wegga. Rust is belangrijk. Zoals u eerder aan de orde is geweest zijn honden gevoelig voor stemmingsovername en drukte van ons leidt vaak tot drukte bij de hond. Als alles kalm en rustig is en u in huis al zover gevorderd was dat u gewoon even de kamer uitkon,is het prima om de hond even alleen te laten. Begin met korte momenten. Een paar minuten is als start genoeg en als dat goed gaat kan de opbouw soms erg vlot gaan. Kalmte,rust en niets overhaast willen afdwingen is de beste manier om een hond te leren dat alleen blijven niet erg is. Belangrijk is dat de hond vermoeid is door een fijne lange wandeling en zich veilig voelt in huis. Een belangrijke start wordt gemaakt door te oefenen als u thuis bent. Het gebruik van de bench kan een optie zijn,maar aangezien veel buitenlandse honden dit niet gewend zijn bespreek ik dat hier niet. Wilt u een bench gebruiken,Trekt u er dan een aantal weken voor uit om de bench vertrouwd te maken. Pas dan kunt u eventueel de hond daarin opsluiten.

Etenstijd…etensnijd?

In Spanje is het niet ongewoon dat je je best moet doen om aan je trekken te komen met eten. Sommige honden verdedigen dan ook met verve hun net veroverde maaltjes. Je moet immers wel eten,anders ga je dood. Men linkt agressie rondom het eten nogal eens aan een verstoorde rangorde. Eten is echter een primaire levensbehoefte en het is dus letterlijk van levensbelang ervoor te zorgen dat je je kostje behoudt. Honden,die hebben moeten knokken voor hun eten,hebben niet zoveel boodschap aan de rangorde,maar verdedigen hun eten om te kunnen overleven. Het kan dus best zijn dat u wat van dit gedrag terug zal zien bij uw hond. Een kenmerk is dat de hond snel zijn eten weg schrokt en verstart als u de etende hond nadert. Eigenlijk is dat al een heel duidelijk signaal; de hond is niet ontspannen. Het is niet aan te raden de bak af te gaan pakken of de juist aan te gaan halen om te laten zien dat u geen kwaad in de zin heeft. De hond heeft een verleden en zal echt een andere benadering nodig hebben om dit gedrag om te buigen. Daarbij is het niet geheel ondenkbaar dat een hond kan happen om zijn eten te verdedigen. Het is belangrijk dat u in ieder geval de veiligheid in het oog houdt. Geen kinderen bij een etende hond en ook een eventuele andere hond moet even in een andere ruimte. U kunt om te oefenen de hond een lege bak voorzetten. De hond zal willen gaat eten,maar verrek zeg! Er zit niets in! Verschrikt kijk hij op en u gooit wat brokken in de bak. Dit kunt u herhalen totdat de hond zijn portie eten heeft gehad. Als u dit een poosje volhoudt zal u zien dat de hond het leuk vindt als uw hand zijn bak nadert. Immers,goed nieuws op komst!! Zo is het heel goed mogelijk dit gedrag dus om te buigen naar acceptabel en ontspannen gedrag rond de voerbak.

(Bron van de bovenstaande 5 kopjes; Spaanse honden in Nederland door Eline Adriaans)

Socialisatie

Socialisatie is het bewust en onbewust overnemen van gedragsregels en vormt een belangrijk onderdeel van de opvoeding van de hond. Bij de pup kan dat slechts enkele weken gebeuren (de socialisatieperiode), maar het is zeer belangrijk. Het bepaalt namelijk hoe een hond zich voor de rest van zijn leven gedraagt en reageert. In deze periode zijn de pups erg nieuwsgierig en ondernemend. Onderzoek heeft aangetoond dat voldoende prikkels in de socialisatiefase ervoor zorgen, dat de hond op oudere leeftijd minder snel ergens van schrikt of opgewonden raakt en meer geneigd is tot het onderzoeken van zijn omgeving.

Puppycursus

Honden leren snel, veel sneller dan de meeste mensen zich realiseren. Een ander woord voor ‘leren’ is ‘conditioneren’. Honden leren meestal door overeenkomsten te leggen. Een puppycursus duurt meestal 8 – 10 weken en de basiscommando’s als zit, lig en blijf worden daar geleerd.

Honden en kinderen

Voor kinderen is het belangrijk om te leren hoe je een hond moet benaderen. Niet iedere hond is namelijk bekend en vertrouwd met kinderen. Als je een hond wilt aaien, vraag dan altijd eerst aan je ouders of dat mag. Dan vraag je de eigenaar of je de hond mag aaien. Ga voorzichtig met je hand naar de hond toe zodat hij er eerst even aan kan snuffelen. Aai de hond op zijn kop of rug, maar kom nooit te dichtbij met je gezicht.

Vacht

Een glanzende vacht geeft aan dat het dier gezond is, de juiste voeding krijgt en op een goede manier verzorgd wordt. Een goede vachtverzorging bestaat uit het regelmatig borstelen of kammen en controle op ongedierte, zoals vlooien, teken of luizen. Hoe vaak en waarmee een hond geborsteld of gekamd moet worden, hangt af van de lengte en het type van de vacht.

Voor een hond met een kortharige (bv. een gladharige teckel) of ruwharige vacht (bv. een Duitse herder) is het voldoende om één à twee keer per week met een rubberborstel te borstelen.

Honden met een langharige vacht (bv. een Afghaanse windhond) moeten dagelijks geborsteld worden met een borstel met metalen tanden. Veel hondenvachten moeten regelmatig (bijvoorbeeld 2x per jaar) door een hondenkapper (trimmer) geplukt of geknipt worden. Het baden van honden is maar zelden nodig. Is een vacht erg vies (bijvoorbeeld na het zwemmen in modderwater), dan kan een wasbeurt nodig zijn. In elk geval zal een speciale hondenshampoo gebruikt moeten worden. Mensenshampoo is voor de hondenhuid niet geschikt. Bij huidproblemen kan de dierenarts het nodig vinden om een speciale shampoo te gebruiken.

Nagels

De nagels van een hond groeien constant en moeten dus van tijd tot tijd gecontroleerd worden. Bij een hond die regelmatig op een harde ondergrond loopt, slijten de nagels meestal vanzelf af. Als nagels te lang worden, bijvoorbeeld bij oudere honden die minder lopen of wat door de ondervoeten gaan zakken, moeten ze worden geknipt. In het bovenste deel van de nagel lopen bloedvaten en daarom moeten nagels niet te kort afgeknipt worden.

Gebit

Hoewel we zelden gaatjes zien in het hondengebit (ze eten geen suiker en drinken geen frisdrank), zien we wel dat het na enkele jaren wat bruin begint te worden aan de randen van tanden en vooral kiezen. Dit noemen we tandsteen en dat zorgt voor een stinkende adem. Verder beschadigt tandsteen het tandvlees en de wortels van tanden en kiezen. Ze kunnen zo los gaan zitten en eruit vallen. De ontstekingen zorgen voor de vieze adem en kunnen gevaarlijk zijn voor de gezondheid. De beste zorg voor het gebit van de hond is daarom tandenpoetsen vanaf pupleeftijd. Dan kan het dier er spelenderwijs aan wennen (de socialisatieperiode). Voor het poetsen worden speciale dierentandenborstels en hondentandpasta gebruikt. Mensentandpasta bevat teveel fluor en voor de hond veel te prikkelende stoffen, zoals menthol en is ongeschikt. Ook voeding is erg belangrijk is bij het voorkomen van tandsteen. Zo zijn er speciale brokken verkrijgbaar die voorkomen dat er tandsteen ontstaat, maar ook de betere hondenvoeding heeft een structuur en bevat stoffen die de vorming van tandsteen tegengaat.

Oren

In het algemeen hoeven we niets aan de oren te doen van een hond en alles wat we er in brengen aan water, zalf of wattenstaafjes kan juist irritatie of ontsteking veroorzaken. Alleen bij lange, omlaag hangende oren kan het nodig zijn om regelmatig met een oorreiniger van de dierenarts te behandelen. Daarmee wordt voorkomen dat ze gaan ontsteken en vaak onplezierig gaan ruiken.

Voeding

De hond is eigenlijk meer een alleseter dan een vleeseter. Het is niet eenvoudig zelf een complete voeding voor je hond samen te stellen, die alle benodigde voedingsstoffen bevat. Zo is vlees alleen beslist geen complete maaltijd voor de hond. Het bevat o.a. te weinig kalk en kan op den duur leiden tot ontkalking van de botten. Veel beter is het om een goede kant en klare hondenvoeding van een goed merk te geven. (Dat zijn dus niet de brokken van Bonzo of ander goedkoop supermarkt voer) voor meer info, zie de knop op deze site “vegetarische hond, natuurlijk wel!!”

De hoeveelheid voeding hangt af van de leeftijd, het gewicht en de activiteit van de hond. Geef de voeding van een volwassen hond bij voorkeur verdeeld over twee maaltijden per dag en zorg altijd voor een bakje vers drinkwater. Geef de hond voldoende de gelegenheid om zijn voedsel te verteren, dus laat hem niet direct na het eten uit. Voor grote honden is zeker belangrijk om te rusten na het eten omdat ze kans hebben op een maagdraaiing. De gassen in de maag kunnen dan niet weg en dit is een spoedgeval voor de dierenarts! Omdat puppies andere voedingsbehoeften hebben dan volwassen en oudere honden, zijn er tegenwoordig voor iedere levensfase aparte voedingen.

Overgewicht

Om te voorkomen dat een hond te dik wordt, is naast de juiste hoeveelheid en soort voeding ook voldoende lichaamsbeweging van belang. Dit is niet alleen goed voor de conditie en gezondheid van de hond, maar ook voor die van de baas. Geef liever geen tafelresten en ook geen tussendoortjes, zoals kaas of worst. Deze zijn te vet en vaak ook te gekruid voor een hond. Wanneer je de hond eens wilt verwennen of belonen, kies dan voor een speciale hondensnack. Deze zijn niet alleen lekker, maar ook gezond.

Senioren

Wanneer de hond ouder wordt veranderen de voedingsbehoeften geleidelijk. Vanaf de leeftijd van ongeveer acht jaar kunnen er gebitsproblemen optreden en gaat de spijsvertering wat minder efficiënt verlopen. Ook verbruikt een oudere hond vaak minder energie en heeft hij meer essentiële vetzuren en vitamine B en E nodig.

Vaccinaties; zie "Vaccineren Ja of Nee?" (http://www.huisjebiobeestje.nl/page/vaccineren-ja-of-neey )

Ontwormen

Infecties met wormen behoren tot aandoeningen bij huisdieren. Worminfecties treden vaak op zonder duidelijke ziekteverschijnselen, maar geven wel regelmatig conditievermindering en groeivertraging. Soms worden dieren ziek van wormen; diarree en braken is dan het meest geziene verschijnsel. Daarnaast kunnen worminfecties bij huisdieren aanleiding geven tot ongewenste infecties en allergie (astma) bij de mens. Infecties die van dieren over kunnen gaan op de mens noemen we zoönosen. Bij honden komen spoelwormen het meest voor; daarnaast zijn het bestrijden van lint-, haak- en zweepwormen van belang. Een wormkuur geven doet men als men wormen ontdekt, en niet zomaar of omdat een dierenarts zegt dat dit beter is om te doen. Zelf neem je toch ook geen kuur als er niets met je gezondheid is?

Vlooienbestrijding

Vlooien zijn hele lastige parasieten die helaas vaak in de vacht en op de huid bij honden en katten voorkomen. Er zijn veel verschillende producten om vlooien te bestrijden, doe dit echter alleen als er vlooien aanwezig zijn. 'Preventieve vlooienbestrijding' is in het leven geroepen om geld uit uw beurs te halen :-).

Ziektekostenverzekering

Van een aantal voorzorgsmaatregelen (castreren, ontworming en vaccinaties) is bekend dat daar kosten aan verbonden zitten. Dus als je een hond aanschaft weet je dat je die een keer moet betalen. Ook voor de dagelijkse verzorging is geld nodig. Naast eten, moet een hond ook ontwormd worden en tegen vlooien en teken worden behandeld. Voor onkosten die je niet in de hand hebt, zoals bij een onverwachts ongeluk, kan je je hond verzekeren. Net zoals je een auto verzekerd tegen blikschade kan je ook een verzekering afsluiten, zodat onverwachte, soms hoge kosten verzekerd zijn en de dierenarts kan betalen. De dierenarts weet wat een goede ziektekosten verzekering is.

Chippen

Vroeger werden rashonden getatoeëerd om zeker te weten welke hond het is. Ook kon na weglopen de eigenaar hiermee worden teruggevonden. Maar tatoeages zijn na enkele jaren soms niet meer leesbaar en zijn pijnlijk om aan te brengen.

Chippen is tegenwoordig de beste manier om de identiteit van een dier vast te kunnen stellen. Er wordt een zogenaamde transponder, zo klein als een rijstkorrel, net onder de huid ingebracht met een injectienaald. Deze transponder bevat een unieke code die met een afleesapparaat is af te lezen door de dierenarts, het asiel, de fokker of de dierenambulance. Mocht onverhoopt een hond zijn baas kwijtraken, dan is door middel van de chip altijd te achterhalen wie de eigenaar is. Het is dus wel belangrijk dat het nummer met de adresgegevens ergens genoteerd staan waar ze zijn op te vragen (zogenaamde databank).

En last but not least; safety first.

Sinds deze week 12 december 09 hebben onze honden tijdens de ochtend ronde een reflecterend hesje aan van VVN. Ik werd de weken daarvoor niet, nauwelijks of te laat op gemerkt door auto's en andere weggebruikers bij bijvoorbeeld een zebrapad. Nu ze 'bescherming' dragen zijn de resultaten direct merkbaar. Auto's en scooters stoppen echt eerder. Het is dus echt niet overdreven.

 

De Chinchilla

Chinchilla’s zijn kleine knaagdieren. Hun vacht is superzacht, ze hebben lieve kleine kraaloogjes en schattige grote oren. Er zijn maar weinig mensen die een Chinchilla niet aandoenlijk zullen vinden. Oorspronkelijk komen Chinchilla’s uit het Andesgebergte in Peru en Chili. Spaanse kolonisten ontdekten dat indianenstammen aldaar de vacht van de Chinchilla gebruikten voor dekens en kleding. De indianen leefden echter in harmonie met Chinchilla’s en de indianen hielden de chinchilla’s ook als huisdieren.

De kolonisten namen de huiden mee naar europa waar de vacht meteen erg populair werd. De vraag naar chinchillapelzen werd zo groot dat de Chinchilla’s overbejaagd werden en in het wild nagenoeg uitstierven. Amerikanen namen een paar van de laatste Chinchilla’s mee om mee te fokken. In eerste instantie voor de vacht, maar na enige tijd kwamen zij erachter dat Chinchilla’s ook interessant waren om als huisdier te houden. Zo is het gekomen dat Chinchilla’s vandaag de dag wereldwijd zeer geliefde huisdieren zijn. Omdat Chinchilla’s zo’n lief uiterlijk hebben, vallen veel mensen hier (te) snel voor.

Maar chinchilla’s zijn niet voor iedereen geschikt.

Chinchilla’s zijn echte groepsdieren: als er wordt overwogen Chinchilla’s te nemen., dan gaat het er niet om 1 Chinchilla te nemen maar minimaal 2!! Mannetjes kunnen samen, net als vrouwtjes. Uiteraard ook mannetjes en vrouwtjes samen, maar daar komen zeker kleintjes van. Uiteraard is dat iets om rekening mee te houden. Als het mannetje gecastreerd wordt blijft nageslacht uiteraard achterwege. (en dit is een must! Want we zitten niet op nog meer Chins te wachten.)

Ondanks dat Chinchilla’s er zo lief en knuffelbaar uitzien, zijn ze toch minder geschikt voor kinderen. Het komt natuurlijk wel voor dat Chinchilla’s kinderen wel op prijs stellen, maar de meesten echter niet. Ook moet niet vergeten worden dat Chinchilla’s echte NACHTDIEREN zijn. Overdag zullen ze rustig slapen en ’s avonds komen ze druk tot leven. Ze kunnen dan ook flink wat geluid produceren, door het geren en geklim, maar ook de geluidjes die ze sowieso maken. Voor kleine kinderen zijn konijnen en cavia’s vaak geschikter zijn dan de Chinchilla’s. Daarnaast hebben Chinchilla’s ook een ruime kooi nodig. Hoe groter hoe beter. Voor 2 chinchilla’s geldt een minimum kooiformaat. 1.20m hoog x 0,60 m breed. Het liefst hoger, want chinchilla’s houden erg van klimmen en klauteren.

Maak verschillende niveaus en verdiepingen in de kooi., maar maak de afstanden hiertussen niet te groot. Chinchilla’s kunnen namelijk niet erg goed diepte en hoogte inschatten, en zullen bij een groot verschil al snel mis springen met kans op botbreuken, of erger. Een simpele botbreuk heelt trouwens erg snel bij Chinchilla’s.

Er zijn verschillende kooien te koop, maar zelf een kooi bouwen is ook mogelijk en misschien nog wel leuker. Let bij zowel een kant en klare kooi als bij een zelf gemaakte wel goed op dat er geen randjes zijn waar de chinchilla’s makkelijk aan kunnen knagen. Onderdelen zijn vaak van plastic en chinchilla’s zijn echte knagers… als ze ergens een beginnetje aan kunnen knagen, zullen zeker niet stoppen voordat ze alles kapot hebben geknaagd. En als ze hierbij dan plastic binnen krijgen is dat levensgevaarlijk!!!!

De kokers van wc- en keukenrollen zijn overigens wel prima attributen om op te knagen. In de kooi moet ook altijd een zandbad aanwezig zijn. Dit moet dagelijks gezeefd of ververst worden. Gebruik geen strandzand of ander normaal zand, maar koop bij de dierenzaak speciaal chinchillazand. Voor hun vacht is het namelijk erg belangrijk dat ze die dagelijks met een zandbad kunnen reinigen. De vacht van Chins is namelijk bijzonder dicht. Wij mensen hebben per haarzakje 1 haar, Chins hebben per haarzakje 40 tot 120 haartjes. Dit beschermt hen erg goed tegen de kou, vocht en parasieten, maar vereist wel om met een zandbad goed schoon gehouden te worden. Gebeurt dit niet dan zal de vacht dun en schilferig worden.

Het speciale zand dat , zoals je hebt begrepen, absoluut nodig veroorzaakt veel stof in de omgeving van de Chinchillakooi, houd er rekening mee dat je extra tijd zult moeten besteden aan schoonmaken van de kooi en de omgeving! (en dat voor lange tijd, want Chins worden oud)

Qua voeding wordt voor Chinchilla’s vaak pellets aangeraden. Dagelijks een vers plukje hooi is geen overbodige luxe, en een dagelijkse snack zullen ze ook graag van u aannemen. Maar ben hier voorzichtig mee, overdaad schaad!!!

Fruit bijvoorbeeld bevat veel fruitsuikers, wat niet goed is voor Chins. Af en toe een klein stukje appel of een rozijntje kan geen kwaad, maar met mate. Daarnaast zijn kleine stukjes wortel, graan of koren lekker voor ze, net als speciale chinchilla snoepjes.

Ook moet er altijd vers water aanwezig zijn.

De plaatsing van de kooi is ook niet geheel onbelangrijk.  Deze moet niet in direct zonlicht staan en zeker ook niet op de tocht. Chinchilla’s zijn erg gevoelig voor tocht en kunnen hier gemakkelijk verkouden van worden of zelfs een longontsteking eraan overhouden.

Zoals bij alle huisdieren waarbij wordt overwogen om ze aan te schaffen, geldt dit nog eens zo goed voor deze diertjes. Zet alle voor- en tegens maar goed tegen elkaar af en onthoud dat Chins geen huisdieren zijn voor kinderen.

Het zijn leuke en lieve huisdieren , maar niet voor iedereen ideaal. Met een goede verzorging kunnen ze ook erg oud worden, 15 tot 20 jaar bijvoorbeeld. Houd hier rekening mee, je blijft lang verantwoordelijk!!

 

KIP

Algemeen

De kip is een vogel die veel gehouden wordt, niet alleen voor de productie van vlees en eieren maar ook als hobbydier. De belangrijkste voorouder van de gedomesticeerde kip (Gallus gallus domesticus) is het Bankiva hoen (ook wel Rode Kamhoen genoemd), een in het wild levende hoenderachtige die voorkomt in Zuidoost-Azië. Als u overweegt om kippen als huisdier te houden, is het belangrijk dat u zich van tevoren goed laat informeren. Deze informatie is hierbij een hulpmiddel.

Verschillende varianten

Door de fokkerij zijn er vele verschillende rassen hoenders en dwerghoenders (in de volksmond kippen respectievelijk krielkippen) ontstaan. Nederland kent meer dan 85 hoenderrassen en evenzoveel dwerghoenderrassen. Veel kippenrassen komen voor in zowel normale afmetingen als de dwergvorm (kriel). Er bestaan echter ook oorspronkelijke krielrassen.

Vleesrassen met een groot, breed en diep lichaam zijn in het algemeen vrij rustig en gemakkelijk te houden. Voorbeelden zijn de Brahma, Cochin, Orpington en Wyandotte. Volwassen kippen van deze rassen wegen ongeveer vier tot vijf kilogram. Omdat deze dieren gefokt zijn voor de productie van vlees, moet van deze dieren geen grote eiproductie worden verwacht. Toch heeft de Wyandotte wel een prima legkracht: ongeveer 200 eieren in het eerste legjaar.

Lijnrecht tegenover de vleesrassen staan de actieve en beweeglijke, tevens goed vliegende, specifieke legrassen zoals de Leghorn, het Friese hoen, het Drentse hoen, de Assendelfter, de Lakenvelder en het Chaams hoen.

Tussen deze twee uitersten vinden we de rassen die zowel goed leggen als vlees produceren, maar op geen van beide gebieden specialisten kunnen worden genoemd. Tot deze groep behoren onder andere de Barnevelder, de Australatorp, de New Hampshire en de Sussex.

Tot slot kennen we nog de oud-Nederlandse rassen, die puur voor de sier zijn gefokt, zoals de Kraaikop, de Brabanter, de Nederlandse Uilebaard, het Hollandse Kuifhoen en het Nederlandse Baardkuifhoen.

Voor ons van huisjebiobeestje.nl geldt dat wij kippen opvangen omdat het vaak diertjes zijn die wederom misbruikt worden. Zijn ze na enkele jaren “uitgelegd” en is er dus geen eiproductie meer, dan worden ze weg gebracht, geslacht of uitgelaten in het bos waar ze vervolgens de dood vinden door een roofdier. Kippen zijn echt de moeite waard om te houden, ook als ze geen eieren leveren.

Wist u dat:

  • Kippen alleseters zijn?
  • U de meeste kippen kunt leren uit uw hand te eten?
  • Kippen kunnen tien tot vijftien jaar, soms zelfs ouder worden.

Natuurlijk gedrag

Kippen zijn van nature sociale dieren die leven in groepen van één haan, enkele hennen en eventueel kuikens. Binnen de groep bestaat een duidelijke rangorde, ook wel pikorde genoemd: de hogere in rang pikt de ranglagere. De haan verdedigt zijn hennen en zijn territorium tegen indringers en waarschuwt bij gevaar. Verder lokt hij de hennen naar voedsel en een veilige slaapplaats. In het wild overnachten kippen in bomen.

Kippen zijn vrijwel de hele dag op zoek naar voedsel: zaden, insecten, wormen en dergelijke. Daarbij krabben ze de grond los en onderzoeken deze vervolgens met de snavel. Verder nemen ze af en toe een stofbad en verzorgen ze hun veren met het vet uit de stuitklier.

Als er voldoende voedsel aanwezig is zijn kippen zeer honkvast: zelden verplaatsen ze zich meer dan 50 meter van hun overnachtingplaats.

Huisvesting

Kippen zijn groepsdieren en moeten niet alleen worden gehouden. Een groep kan bestaan uit uitsluitend hennen of tenminste (!) twee hennen met maximaal één haan. In dat laatste geval kan de haan uiteraard de hennen bevruchten, maar zolang de bevruchte eieren niet bebroed worden verschillen ze voor de consumptie niet van onbevruchte eieren.

Als u uw koppel na verloop van tijd wilt uitbreiden met nieuw aangekochte kippen, zet de nieuwkomers dan eerst minimaal twee weken in quarantaine. Daarna kunnen de nieuwelingen geïntroduceerd worden. Plaats ze bij voorkeur in het hok bij de andere kippen wanneer het donker is en de dieren op stok gaan. Acceptatie vindt dan gemakkelijker plaats dan wanneer ze op klaarlichte dag worden bijgeplaatst. Om de rangorde te bepalen zullen er de volgende dagen wel schermutselingen zijn, maar als u zorgt voor voldoende vluchtmogelijkheden leidt dit meestal niet tot verwondingen.

Ieder kippenhok dient te bestaan uit een nachthok en een ruime(!!) buitenren. De dieren kunnen het hele jaar door ’s nachts in het nachthok en overdag in de buitenren (met het nachthok vrij toegankelijk) worden gehouden.
Voor kleine aantallen dieren zijn er kant-en-klare kippenhokken te koop. (maar deze zijn naar ons inzicht meestal toch nog te klein!). Voor een groter koppel kippen zult u eigenlijk altijd zelf een kippenhok moeten (laten) bouwen.

Het benodigde oppervlak van het kippenhok is voor de middelgrote rassen minimaal 2 vierkante meter per dier (0,5 m2 nachthok en 1,5 m2 buitenren). Voor een gemiddeld krielras is het minimale oppervlak tenminste 1 vierkante meter per dier (0,50 m2 nachthok en 1 m2 buitenren. Voor alle kippen geldt echter: hoe groter het leefoppervlak hoe beter.

Een nachthok wordt meestal gemaakt van hout, maar steen is nog beter. Situeer de voorzijde van het nachthok bij voorkeur op het zuidoosten, de kippen kunnen dan ’s ochtends profiteren van de zon en op het heetst van de dag van de schaduw. Kippen kunnen slecht tegen hitte en tocht, plaats het hok daarom in de luwte. Zorg ervoor dat het nachthok goed geïsoleerd is, maar ook goed geventileerd. Bij kleine hokken volstaat een aantal ventilatieschuifjes, bij de grotere is een raam met daarachter stevig fijnmazig gaas de beste ventilatiemethode. Het raam kan het beste op het zuiden of zuidoosten zijn gericht en de oppervlakte ervan is bij voorkeur ongeveer 10% van de oppervlakte van het nachthok. Laat het raam dag en nacht openstaan en sluit het alleen bij strenge vorst. Ventilatieschuifjes moeten zich in twee tegenover elkaar gelegen wanden bevinden: in de ene wand laag en in de andere juist hoog. Dit voorkomt tocht.

Werk de binnenzijde van het hok af met glad (plaat)materiaal en wit dit vervolgens met witkalk, dit gaat bloedluis tegen. De bodem van het nachthok bestaat bij voorkeur uit beton. Als bodembedekking is zaagsel (eventueel gemengd met schoon, scherp zand), vlas, hennepstro, koolzaadstro of gehakseld stro geschikt. Let erop dat de bodembedekking goed absorbeert en niet te stoffig is. Plaats de toegang tot het nachthok vanuit de buitenren op 20 tot 60 centimeter hoogte; hiermee voorkomt u tocht langs de grond. Zodra de kippen op stok zijn, kunt u deze opening afsluiten. Maak naar het nachthok een loopplank met om de tien centimeter een dwarslatje.

In het nachthok moeten zitstokken aanwezig zijn. Voor een goede grip zijn deze rechthoekig tot ovaal van vorm, waarbij het breedste vlak boven ligt. Dit vlak varieert tussen vier (krielkippen) en zeven centimeter (zware kippen) breed. De stokken moeten zo dik zijn dat ze niet doorbuigen. De hoogte waarop de zitstokken moeten worden gemonteerd is, afhankelijk van het ras, 15 (kortpotige en/of zware rassen) tot 80 (zeer lichte rassen die redelijk kunnen vliegen) centimeter van de grond. Plaats zitstokken niet op verschillende hoogten: omdat een kip graag hoger zit dan zijn hokgenoten, kan dit gevechten opleveren om een plekje op de hoogste stok. Plaats de zitstokken zeker 30 centimeter van de wand om te voorkomen dat de staartveren beschadigen en tenminste 30 tot 40 centimeter uit elkaar. In de regel passen er vier tot vijf krielkippen of twee tot drie zwaardere kippen op een stok van een meter. Het is handig als u de zitstokken gemakkelijk uit het hok kunt nemen om ze schoon te maken. Bijv; in verband met luizen. Mestplankjes enkele centimeters onder de zitstokken kunnen u helpen de bodembedekking langer schoon te houden.

Zorg dat er in het hok een elektra-aansluiting aanwezig is. Hierop kunt u verlichting en een drinkbakverwarmer aansluiten. Gebruik in het kippenhok géén TL-verlichting: kippen kunnen in tegenstelling tot mensen het continue knipperen ervan waarnemen met stress tot gevolg. Door bij vorst een kunststof drinkbak op de verwarmer te zetten, voorkomt u dat het drinkwater bevriest. Drinkbakverwarmers zijn verkrijgbaar bij dierenspeciaalzaken.

Legnesten mogen in geen enkel kippenhok ontbreken. Plaats ze in een donkere hoek van het nachthok en lager dan de zitstokken, zodat de legnesten niet gebruikt worden als slaapplek. Een legnest met een oppervlak van dertig bij dertig centimeter en een hoogte van ongeveer veertig centimeter voldoet voor een licht ras. Voor krielkippen mag het nest iets kleiner zijn. De hen moet zich in ieder geval in het legnest kunnen omdraaien. Het legnest moet aan de voorzijde open zijn, de bovenzijde kan ook open gelaten worden of voorzien worden van een schuin aflopend dak zodat de kippen er niet op kunnen gaan zitten en er geen ontlasting op kunnen deponeren. Maak tenminste één legnest per drie hennen. Bevestig de nesten allemaal op dezelfde hoogte, zo’n 10 tot 40 centimeter van de grond. Maak ze van vochtwerend plaatmateriaal met zo min mogelijk kieren en voorzie ze van een laagje grit, hooi of stro.

Voor zware en middelzware kippen die niet goed kunnen vliegen hoeft de buitenren niet per se overdekt te zijn: een afrastering van 1,80 meter hoog houdt ze in het algemeen binnen het hok. Toch is voor alle kippen een overdekte buitenren aan te bevelen; dit voorkomt dat ontlasting van wilde vogels met daarin mogelijk ziekteverwekkers in uw kippenhok terecht komt en houdt tegelijkertijd roofdieren als katten en vossen buiten. De bodem van de buitenren bestaat bij voorkeur uit beton of tegels met daar bovenop een laag schoon zand van tenminste twintig centimeter dik. Als u ervoor kiest de buitenren niet te voorzien van een harde bodem, zorg er dan voor dat de grond in de ren wat hoger ligt dan erbuiten, zodat er geen regenwater in kan lopen.

Alle kippen hebben behoefte om zich te wassen met zand, het zgn. stofbad. Plaats daarom een bak met schoon wit zand op een zonnige plek in de buitenren. Zorg ervoor dat de bak een opstaande rand van ongeveer twintig centimeter hoog heeft. De verdere afmetingen van de bak variëren tussen 55x55 centimeter voor dwerghoenders tot 100x100 centimeter voor de grote rassen.

Verzorgen en hanteren

Bij de verzorging van kippen is vooral de hygiëne erg belangrijk. De mestplank moet elke dag afgekrabd worden, de eieren moeten geraapt worden en het water moet ververst worden. De waterbakken moeten dagelijks afgewassen worden. Neem de zitstokken eens per twee dagen tot eens per twee weken af, afhankelijk van het aantal kippen dat er gebruik van maakt. Verwijder uitwerpselen in binnen- en buitenhok eens per twee dagen tot eens per maand. Neem eens per week tot eens per maand de mestplanken en zitstokken af met een desinfecterend middel en maak de voerbakken goed schoon. Desinfecteer de legnesten in de zomer liefst maandelijks, in de winter is eens per twee maanden voldoende. Verschoon het stro of grit in de legnesten eens per maand. De bodembedekking van het nachthok moet eens per een tot vier maanden geheel verschoond worden. Een goede vuistregel voor het verversen van de bodembedekking is dat het strooisel altijd droog moet aanvoelen en nooit een ammoniaklucht mag afgeven. Maak bij het verversen ook de vloer schoon met een geschikt desinfecterend middel. Volg de aanwijzingen van de fabrikant.

Het is verstandig om eens per jaar in de buitenren een laag van circa twintig centimeter af te graven en weer aan te vullen met schoon zand. De vuile grond kunt u in uw tuin verspreiden. Vervang het zand in het zandbad regelmatig. Wit eenmaal per jaar de binnenzijde van het nachthok.

De beste manier om een kip te vangen is rustig op het dier af te lopen, een hand op de rug te leggen en zachtjes op zijn rug te duwen waardoor de kip gaat zitten. Vervolgens pakt u met uw andere hand van onderaf de beide poten vast. U kunt de kip nu oppakken terwijl u met de bovenste hand de vleugels tegenhoudt. Met enige oefening kunt u, bij kleinere rassen, van de hand die de poten vasthoudt de duim en wijsvinger vrijmaken hiermee de vleugelpunten tegen het lichaam van de kip duwen. U kunt dan de andere hand van de rug afhalen. Bij grotere kippen kunt u de kip tegen u aan houden en/of onder uw onderarm ‘klemmen’. Oefen niet te veel druk uit op het lichaam van de kip: de ademhaling raakt snel belemmerd. Til een kip niet op aan alleen de vleugels of de poten, daar is het lichaam te zwaar voor.

Kippen kunt u het beste individueel vervoeren in speciale kippenmanden of -kisten of in een stevige kartonnen doos met voldoende ventilatiegaten. Een konijnen/katten- transportbox kan ook. Zet de kippen tijdens het transport haaks op de rijrichting, dus met de kop naar de zijkant, zodat de staart zo min mogelijk beschadigt. Vervoer kippen niet als het erg warm is en laat ze zeker niet achter in een afgesloten auto.

Kippen kunt u tam maken door de dieren altijd rustig te benaderen, altijd hetzelfde geluid te maken als u ze benadert en de dieren zittend op uw hurken uit de hand graanvoer aan te bieden.

Controleer regelmatig de nagels, sporen (haan) en snavelpunt van uw kippen en laat ze indien nodig inkorten door uw dierenarts. Nagels kunt u eventueel zelf knippen met een hiervoor geschikte nageltang. Voorkom bij strenge vorst dat de kam en lellen bevriezen door ze in te smeren met zuurvrije vaseline

Voeding

De voeding van de kip bestaat uit een pluimveekorrel of –meel als basisvoer, aangevuld met wat graan en groenvoer als bijvoer. Het voordeel van een voer in meelvorm is dat de kippen er veel langer over doen om hun voer binnen te krijgen. Dit geeft de dieren iets te doen en kan verenpikken bij elkaar voorkomen. Een nadeel is dat er vaak ook meer van gemorst wordt. Gebruik daarom voldoende voerbakken met een naar binnen gebogen rand. Voor kippen met baarden of kuiven is meel niet zo geschikt, het kan namelijk in de baard en/of kuif blijven hangen waarna hokgenoten ernaar gaan pikken. Kies een korrel waarvan de grootte past bij het formaat van uw dieren.

Volwassen kippen eten gemiddeld 30 tot 100 gram voer per dag, maar dit is uiteraard afhankelijk van hun grootte, activiteit (bezigheid, broedsheid, leggen) en de omgevingstemperatuur. Wanneer u ’s ochtends voert, moet het voer helemaal op zijn voordat de kippen ’s avonds op stok gaan. Controleer regelmatig de conditie van de kippen; op het borstbeen mag een beperkte hoeveelheid vlees zitten en het achterlijf mag niet te vol aanvoelen. Als het borstbeen scherp aanvoelt is de kip te mager.

Een kip gaat eens per jaar in de late zomer of de herfst in de rui. Normaal gesproken neemt het hele ruiproces één tot twee maanden in beslag. De ruiperiode kost de kip veel energie. Een hen in de rui legt dan in het algemeen geen eieren, de kam en lellen worden kleiner en de kop wordt bleek. Geef kippen tijdens de ruiperiode zogenaamd onderhoudsvoer in plaats van een legkorrel of legmeel.

Kippen zijn dol op graan, maar kunnen er wel snel dik van worden. Gebruik het dus enkel als bijvoeding. Maximaal 10% van de totale voeding mag bestaan uit een graanmengsel. Graanmengsels voor kippen bevatten doorgaans haver, tarwe, maïs en gerst, soms aangevuld met kleine zonnebloempitten. Voor de kleine rassen kunt u beter kiezen voor een graanmengsel dat gebroken granen bevat, want de zaden zijn anders te groot voor de kleine snavels. Geef kuikens speciaal kuikenzaad. Koop alleen graanmengsels met glanzende zaden, een frisse geur en weinig stof.

Bewaar compleet voer en graanmengsels in goed afgesloten tonnen in een droge, koele ruimte. Sla niet te grote hoeveelheden in, omdat het vitaminegehalte van het voer in de loop van de tijd afneemt.

Bied uw kippen een gevarieerd aanbod aan groenvoer. Geschikt zijn: bessen (bijvoorbeeld bramen en frambozen), groenten (onder andere sla, boerenkool, broccoli, wortel), kruiden (bijvoorbeeld weegbree, jonge brandnetel, vogelmuur, herderstasje, gras, paardenbloem) en fruit (zoals appel, peer en banaan). Verwijder aan het einde van de dag niet opgegeten restanten.

Tijdens de eileg hebben hennen voor de vorming van de eierschaal meer behoefte aan kalk. Extra kalk kunnen ze opnemen uit grit; bied het aan als bodembedekking in de legnesten of in een apart bakje. In de spiermaag van de kip zorgt opgenomen maagkiezel ervoor dat granen gekneusd worden en daardoor beter verteerbaar zijn. Meng maagkiezel met grit of doe het in een apart bakje.

Als u een klein aantal kippen houdt is een aardewerken voerbak met een naar binnen gebogen rand handig, bij grotere aantallen kippen is een hangend voersilootje of een staande roestvrijstalen trog aan te bevelen. Er bestaan ook voerautomaten, die volwassen kippen zelf kunnen openen door op een trede te gaan staan. Groenvoer kunt u het beste aanbieden in een ruifje. Als u het ruifje zo hoog ophangt dat de kippen een stukje omhoog moeten springen om bij het voer te kunnen komen, krijgen de kippen tegelijkertijd extra lichaamsbeweging.

Zorg altijd voor vers drinkwater. Plaats drinkbakken op een verhoging zodat de dieren er geen vuil in kunnen krabben en zorg ervoor dat de bakken niet om kunnen vallen. Hangende drinkklokken (plastic koepels met een bord eronder waarvan de dieren drinken) zijn erg handig. De wateropname van kippen varieert tussen 100 en 500 milliliter per dag en is gemiddeld ongeveer 250 milliliter per dag. Plaats de waterbak in de schaduw, zodat het langer koel blijft. In de zomer kan het nodig zijn het drinkwater meerdere keren per dag te verversen.

Van jong tot volwassen dier

Het onderscheid tussen kip en haan is te zien aan de grotere kopversierselen (de kam en lel) en sierveren aan staart en hals van de haan. Hanen hebben bovendien sporen aan hun poten: lange hoornen stekels aan de binnenzijde de poten.

Een haan is vruchtbaar vanaf de leeftijd van gemiddeld zes maanden tot op een leeftijd van ongeveer zes jaar. Hennen beginnen vaak al eieren te leggen als ze vijf of zes maanden oud zijn; meestal worden ze echter pas vanaf een leeftijd van een jaar of nog later broeds, afhankelijk van het ras, de weersomstandigheden en de voeding. De meeste hennen leggen geen eieren meer als ze de leeftijd van vijf jaar hebben bereikt. Bij de paring springt de haan op de rug van de hen (treden genoemd) en houdt zich met zijn snavel vast aan haar nekveren. Het sperma kan tot veertien dagen na de paring eitjes bevruchten.

Broedse hennen hebben een kale plek op hun buik (waar ze de eieren tegenaan leggen), maken speciale geluidjes en worden soms wat agressiever. Bovendien blijven ze lang op het nest zitten.

Problemen die bij natuurbroed op kunnen treden is dat de hen vroegtijdig stopt met broeden of het broeden te vaak en/of te lang onderbreekt omdat haar gezondheid niet optimaal is. Ook kan het voorkomen dat de hen de kuikens niet of niet goed verzorgt. Preventieve behandeling tegen luizen en mijten voorkomt dat de hen onrustig wordt vanwege de parasieten en het nest verlaat. Rassen waarvan de hennen in het algemeen goed broeden zijn de Wyandotte, Cochin, Sussex en Zijdehoender (ook de krielvarianten).

Na 21 dagen bebroeden komen de eieren uit. De kloek (moederkip) kan het beste met haar kuikens apart worden gezet, bijvoorbeeld in een rennetje met een nachthok naast de grote ren. Bij guur, kil weer kunt u de eerste tijd in het nachthok een donkerstraler of rode lamp ophangen, zodat de kuikens zich daaronder kunnen warmen. Gebruik geen lamp die wit licht afgeeft. Deze kunt u namelijk geen 24 uur per dag laten branden aangezien de kippen dan ook 24 uur per dag zullen eten.

Kuikens hoeven de eerste 24 uur na het uitkomen niet te worden gevoerd. Ze leven de eerste tijd namelijk van het restant van de eidooier dat ze kort voor het uitkomen via de navel in het lichaam hebben opgenomen. Uiteraard moeten ze wel kunnen drinken, zorg voor ondiepe waterbakjes om verdrinking te voorkomen. Na een paar dagen gaan ze kuikenvoer eten.

Zodra de kuikens een tot twee weken oud zijn, maar liever pas als ze vijf tot zes maanden oud zijn, kunnen ze geïntroduceerd worden bij de andere kippen. De kloek zal in het algemeen als de kuikens zes tot zeven weken oud zijn weer aan de leg komen en kan dan terug naar de andere kippen. Zodra de haantjes een leeftijd van drie maanden hebben bereikt, krijgen ze interesse in hun zusjes en zullen ze vaak achterna jagen. Daarom is het verstandig de haantjes en de hennetjes op deze leeftijd van elkaar te scheiden. Bij een jong kuiken is moeilijk te zien welk geslacht het dier heeft. Haantjes dragen hun staart vaak wat hoger en zijn meestal iets groter dan de hennetjes. Vanaf een leeftijd van drie maanden beginnen de haantjes te kraaien, krijgen hun sierveren en duidelijk grotere kopversierselen. Bovendien zijn ze in het algemeen beduidend zwaarder dan de hennen.

Als de haantjes onderling vechten, kunt u de fokhaan erbij zetten. Deze volwassen haan zal snel duidelijk maken wie er de baas is, waarna de haantjes onderling geen rangorde meer hoeven uit te vechten. Met de haantjes kunt u nieuwe foktoompjes vormen als u er de ruimte voor heeft (elk foktoompje in een aparte ren) of u kunt ze verkopen.

Ziekten en aandoeningen

Gezondheidsproblemen bij hobbykippen worden vaak veroorzaakt door parasieten.

Inwendige parasieten bij kippen zijn wormen, met name de grote en kleine spoelworm, de grote en kleine lintworm en de haarworm, en coccidiën. Verschijnselen van infecties met deze maagdarmparasieten treden lang niet altijd en vooral bij de jonge dieren op. De verschijnselen kunnen bestaan uit: vermagering, lusteloosheid, bol zitten (met opgezette veren), diarree, groeivertraging, stoppen van de eiproductie en het bleek worden van kam en lellen. Het is verstandig met enige regelmaat de mest van de kippen door een dierenarts te laten onderzoeken en alleen te behandelen als daaruit blijkt dat het nodig is. Goede hygiëne is belangrijk in de preventie van infecties.

Luizen, vlooien en mijten zijn uitwendige parasieten die bij kippen onrustig gedrag door de jeuk en een slecht verenkleed door krabben en pikken veroorzaken. Kippen kunnen ook lijden aan bloedarmoede door een infectie met bloedluis. Dit is eigenlijk een verkeerde naam want de bloedluis is geen luis, maar een mijt. Deze ‘bloedluizen’ verschuilen zich overdag in kieren en spleten van het hok, onder zitstokken, legnesten en voerbakken en in het strooisel. ’s Avonds en ’s nachts komen ze massaal tevoorschijn om op de dieren bloed te zuigen.

Kalkpoten worden eveneens veroorzaakt door een mijt. De kip krijgt dan vuilwitte, droge korsten tussen de schubben van de poten, soms zo uitgebreid dat de kip niet meer kan lopen. Een goede hygiëne is essentieel om infecties met uitwendige parasieten te voorkomen. Daarnaast werkt een regelmatige behandeling van het hok met witte kalk preventief tegen bloedluis. Middelen om luizen, vlooien en mijten te bestrijden zijn verkrijgbaar bij dierenartsen, dierenspeciaalzaken en agrarische winkels.

Ziekte van het ademhalingsstelsel komen regelmatig voor. De verschijnselen kunnen zijn: niezen, rochelen, neusuitvloeiing en benauwdheid (met snavel open ademen). Bacteriën veroorzaken ‘snot’ (Coryza) en Chronic Respiratory Disease (CRD). Virussen zijn verantwoordelijk voor Infectieuze Bronchitis (IB) en Infectieuze Laryngotracheïtis (ILT). Ook schimmels kunnen ademhalingsziekten veroorzaken. Tocht, overbevolking en/of een slechte hygiëne zijn vaak de aanleiding voor het aanslaan van deze ziekteverwekkers. Raadpleeg altijd een dierenarts.

Een bekende vogelziekte is de vogelgriep (‘vogelpest’) of Aviaire Influenza. Deze kan door verschillende virussen veroorzaakt worden en is zeer besmettelijk. Pluimveehouders met minder dan 250 dieren worden als hobbyisten beschouwd en dan kan vaccinatie toegestaan worden. Kijk voor de meest recente regelgeving op de website van het Ministerie van LNV. Neem contact op met de Voedsel- en Warenautoriteit als u uw kippen voor de eerste keer wilt laten vaccineren.

Hobbyhouders die met hun kippen naar tentoonstellingen gaan moeten hun dieren maximaal vijf maanden vóór de tentoonstelling hebben laten enten (liefst twee keer met een tussentijd van twee weken) tegen New Castle Disease (NCD), ook wel pseudovogelgriep genoemd. Dit is een dodelijke virusziekte waartegen geen behandeling mogelijk is.

Houd nieuwe kippen tenminste twee weken apart en laat hun mest onderzoeken op parasieten. Dit om te voorkomen dat de nieuwkomers parasieten overdragen op de andere kippen.

Kosten

U kunt kippen kopen bij fokkers, bij een boer en soms via een dierenspeciaalzaak. Kippen zijn niet zo duur om te houden. De kosten voor voer en strooisel komen neer op enkele euro’s per dier per maand, de dieren zelf zijn te koop vanaf enkele euro’s. U bent uiteraard wel geld kwijt aan de aanschaf of bouw van een goed hok, en dit kan enkele honderden euro’s kosten. Preventieve behandeling van mijten en luizen, onderzoek van uitwerpselen en eventuele vaccinaties kosten natuurlijk geld. Ook kan het voorkomen dat u vanwege ziekte onder de dieren een dierenarts moet raadplegen.

Bijzonderheden

  • Het kan voorkomen dat uw gemeente het houden van kippen binnen de bebouwde kom verbiedt, of dat u verplicht bent uw kippen weg te doen als buurtbewoners klagen over geluidsoverlast. Het is daarom verstandig, nog voor u kippen aanschaft, een en ander na te vragen bij de gemeente en met uw buren te overleggen, zeker als u ook een haan wilt houden. Informeer of u voor het kippenhok dat u wilt plaatsen een bouwvergunning nodig heeft.
  • Als u kiest voor een raskip en u zich goed informeert over dat ras, weet u wat u van dat ras kunt verwachten wat betreft uiterlijk, karakter en eigenschappen. Bij rasloze kippen moet u dit alles afwachten. Maak een weloverwogen keuze door informatie in te winnen via bijvoorbeeld pluimvee- of kleindier-verenigingen en bezoek tentoonstellingen en fokkers.
  • Koop alleen dieren bij een toegewijde liefhebber/fokker die zijn dieren op de juiste manier huisvest en de tijd neemt om uw vragen te beantwoorden.
  • Let op als u kippen gaat kopen. De dieren moeten actief zijn en niet overdreven paniekerig reageren. Het verenpak moet schoon, aaneengesloten en glanzend zijn en vrij van parasieten. De kam en lellen mogen bij volgroeide, niet-broedende en niet-ruiende dieren niet vaal van kleur zijn en het borstbeen mag niet te scherp aanvoelen.
  • Zorg dat u voordat u uw kippen gaat ophalen een volledig ingericht en afgewerkt kippenhok klaar heeft staan. Zorg ervoor dat de dampen van beits of verf zijn vervlogen: deze zijn namelijk uiterst giftig voor vogels.

Vraag of u wat voer mee kunt krijgen. U kunt de kippen geleidelijk overzetten op ander voer door dit oude voer te mengen met steeds iets meer van het nieuwe voer.  

voor meer vragen en info kunt u terecht op ; kippenforum.nl

TIP; Denk ook eens aan de aanschaf van ex legbatterij kippen bijvoorbeeld via www.redeenlegkip.nl

 


DE CAVIA

Algemeen

De cavia is een knaagdier dat veel als huisdier gehouden wordt. Cavia’s zijn groepsdieren, ze kunnen het best samen gehuisvest worden. Deze dieren planten zich snel voort. Er moet extra aandacht besteed worden aan de vitamine C voorziening in het voer. Als u overweegt om een cavia als huisdier te kopen, is het belangrijk dat u zich van tevoren goed laat informeren. Deze informatie kan u daarbij helpen.

Verschillende varianten

Er zijn verschillende rassen cavia’s, die van elkaar verschillen in vachttype en kleur. De belangrijkste rassen zijn gladharig, langharig, rex (met gekrulde vacht), borstelharig en gekruind. Een volwassen cavia kan dertig centimeter lang worden en weegt tot 1500 gram. Een zeugje (vrouwtje) weegt vaak wat minder dan een beertje (mannetje).

Wist u dat:

  • Cavia’s zelf geen vitamine C aan kunnen maken?
  • en dat dit dus rijkelijk in de voeding aanwezig MOET zijn?
  • Je dus dagelijks veel extra verse groente moet geven?
  • Cavia's veel drinken en je dus zeker in de zomer goed moet opletten dat er vers drinkwater aanwezig is en blijft? 
  • Een caviavrouwtje een zeug, en een mannetje een beer heet?
  • Een cavia graag gezelschap heeft van een andere cavia !!?

Natuurlijk gedrag

De wilde cavia komt voor op open vlaktes in Zuid Amerika. Ze leven daar in groepen met een strenge rangorde. Cavia’s zijn een groot deel van de dag bezig met het zoeken naar voedsel en zijn daarbij vooral actief in de ochtend- en avondschemering. Ze slapen in holen die ze vinden of zelf graven. Al 9000 jaar geleden werd de wilde cavia door de Inca’s gehouden voor het vlees. Later is de cavia gedomesticeerd en verder ontwikkeld tot het dier dat we nu als huisdier kennen.

Huisvesting

Cavia’s zijn groepsdieren, dus kunnen het best samen gehuisvest worden. Een combinatie van twee of meer zeugjes en eventueel een (gecastreerd) beertje werkt over het algemeen het best. Door de rangorde binnen een groep cavia’s kunnen niet alle cavia’s zonder problemen bij elkaar in een hok leven.
Een geschikt hok voor twee cavia’s heeft een oppervlakte van ongeveer vijftig bij honderd centimeter. Cavia’s kunnen niet goed klimmen of hoog springen, dus het hok hoeft niet hoger te zijn dan veertig centimeter. Als bodembedekking kunt u bijvoorbeeld houtsnippers gebruiken, die moeten minimaal één keer per week verschoond worden. Er moeten een drinkflesje en voerbakje in het hok aanwezig zijn en het liefst een schuilplaats waar uw cavia’s zich kunnen verstoppen. Bij de dierenspeciaalzaak zijn eventueel ook speeltjes te koop, zoals een hooibal. De optimale omgevingstemperatuur ligt tussen de 18 en 26 °C. Sommige mensen kiezen ervoor om hun cavia’s buiten te huisvesten. Wanneer u uw cavia’s buiten wilt houden, is het belangrijk dat ze een wind- en waterdicht hok hebben, met een dikke laag bodembedekking. Laat de cavia’s in het voorjaar naar buiten gaan, zodat ze langzaam kunnen wennen aan de koudere buitentemperatuur. Cavia’s kunnen zich beter warm houden als er meerdere dieren bij elkaar zitten. Als het een paar dagen vriest, is het verstandig om het hok bijvoorbeeld in de schuur te zetten.

Hanteren

Cavia’s kunnen bijten, maar doen dit bijna nooit. Als een cavia bijt, is dit meestal omdat hij ziek is of ergens pijn heeft.
Til een cavia altijd voorzichtig en met twee handen op, waarbij u ook het achterlijf ondersteunt. Een cavia kan het als bedreigend ervaren als u hem onverwachts van boven oppakt, en zal dan proberen te vluchten. Leer kinderen daarom het dier voorzichtig te benaderen en houd altijd een oogje in het zeil als ze een cavia willen oppakken.

Verzorging en voeding

De nagels van een cavia moeten regelmatig worden geknipt. U kunt dit bij de dierenarts laten doen, maar na uitleg is het ook goed zelf te doen. Als de cavia niet de beschikking heeft over vezelrijk voedsel (bijvoorbeeld hooi), kunnen zijn tanden te lang worden. Controleer dit regelmatig. Langharige cavia’s moeten minstens één keer per week gekamd worden, voor kortharige cavia’s is dat minder belangrijk.

U kunt uw cavia een dieet geven van hooi, droogvoer en groenten en fruit. Hooi en droogvoer is verkrijgbaar bij de dierenspeciaalzaak. Cavia’s kunnen zelf geen vitamine C aanmaken, dus het is erg belangrijk dat ze voldoende binnenkrijgen via de voeding. Droogvoer dat speciaal gemaakt is voor cavia’s bevat genoeg vitamine C, in tegenstelling tot algemeen knaagdierenvoer. Let wel op dat het vitamine C gehalte na de uiterste houdbaarheidsdatum sterk zal afnemen. Twintig tot veertig gram droogvoer per dag is genoeg en daarnaast moet er altijd hooi beschikbaar zijn. Het is belangrijk dat uw cavia de hele dag toegang heeft tot voedsel, en dan met name hooi. Een wilde cavia is namelijk ook een groot deel van de dag bezig met eten. Tussendoor kunt u bijvoorbeeld wortel, witlof, appel of peer bijvoeren. Geef dit altijd in kleine hoeveelheden. Verder kunt u de cavia nog wat gras geven. Pas wel op met bermgras; dat kan vervuild zijn door uitlaatgassen.

Zie hier voor een lijst met voedsel; http://www.degrotecavia.nl/groenvoer.html

Van jong tot volwassen dier

Het onderscheid tussen een beertje en een zeugje is niet altijd even makkelijk om te zien. Wanneer een cavia op zijn rug ligt, is bij de meeste beertjes net boven de anus een penis te zien, en zijn de balletjes te voelen. Bij jonge dieren kan het wat lastiger te zien zijn. Een zeugje dat samen met een volwassen beertje gehouden wordt, kan al na vier weken vruchtbaar zijn en de draagtijd is tussen de negen en de tien weken. Als de jongen geboren worden wegen ze ongeveer honderd gram en zijn ze volledig ontwikkeld. Een cavia krijg gemiddeld twee tot vier jongen per worp. Omdat een zeugje direct na het werpen weer vruchtbaar is, en gezien het feit dat jonge cavia’s zich al na enkele weken voort kunnen planten, is het verstandig de jongen na ongeveer vijf weken bij de moeder weg te halen, en ook de jonge zeugjes en beertjes van elkaar te scheiden. Een beertje kan gecastreerd worden, vanaf een leeftijd van vier tot vijf maanden. Een sterilisatie van een zeug is een zwaardere operatie en wordt onder normale omstandigheden niet gedaan. Als u een nestje wilt, is het belangrijk om een zeugje haar eerste nestje te laten krijgen als ze niet ouder is dan een jaar. Als u te lang wacht groeien de twee bekkenhelften vast en kan het zeugje niet meer op een natuurlijke manier jongen krijgen .

De gemiddelde levensverwachting van een cavia ligt tussen de vier en de acht jaar. Bij ver doorgefokte rassen ligt dit gemiddelde meestal iets lager.

Ziekten en erfelijke aandoeningen

Lusteloosheid, verminderde eetlust, diarree, verstopping, overmatig krabben en moeilijk bewegen zijn allemaal symptomen die erop kunnen wijzen dat een cavia ziek is. Bekende aandoeningen zijn schimmelinfecties, parasieten of een vitamine C gebrek. Een veel voorkomende aandoening is het doorgroeien van de tanden, hierdoor kan de cavia niet goed meer eten. Daarnaast komt osteodystrofie voor bij cavia’s, dat is een stofwisselingsziekte die de botten aantast. Dit is waarschijnlijk een erfelijke afwijking en hier is niets aan te doen. Raadpleeg bij twijfel uw dierenarts.

Benodigde ervaring

Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. Zorg er wel voor dat u zich van tevoren goed informeert.

Kosten

De prijs van een cavia kan variëren, afhankelijk van bijvoorbeeld het ras. U kunt een cavia onder ander kopen bij een gespecialiseerde fokker of dierenspeciaalzaak. Over het algemeen kunt u voor minder dan twintig euro slagen. Een caviakooi van honderd bij vijftig centimeter, compleet ingericht met huisje, drinkflesje en voerbak is bij de dierenspeciaalzaak te koop vanaf ongeveer vijftig euro. Hou rekening met bijkomende kosten, zoals bijvoorbeeld castratiekosten van een beertje. Hooi, zaagsel en droogvoer kost ongeveer vanaf honderd euro per jaar.
Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als uw dier onverhoopt ziek wordt.

Bijzonderheden

  • Een gezonde jonge cavia zal eerder voor u vluchten dan naar u toe komen. Denk hieraan als u een cavia uitzoekt.
  • Als een cavia valt, kan dit zeer ernstige verwondingen tot gevolg hebben. Wees dus voorzichtig bij het vasthouden van uw cavia.
  • Laat kinderen nooit alleen met huisdieren! 

 

Een varkentje als huisdier, dat kan MAAR…….

Uniek! Een varkentje als huisdier. Nederland telt miljoenen varkens, en toch zal uw omgeving er vaak raar van op kijken dat u er eentje in huis heeft. Al is zo'n varkentje vreemd voor uw omgeving, voor u is het niets anders dan een hond of kat voor een ander. De aversie die sommige mensen hebben tegen varkens komt waarschijnlijk voort uit het beeld dat men van die dieren heeft. Men denkt als eerste aan de miljoenen varkens in de agrarische sector. Die dieren zijn misschien genetisch vergelijkbaar met uw huisdier, maar qua verzorging, qua huisvesting, qua voeding en vooral qua emotionele waarde zijn er helaas werelden van verschil, (voor sommigen mensen dan).

Dat varkens en minivarkens genetisch sterke overeenkomsten vertonen zal u niet verbazen. Maar of iedereen het contrast kent tussen huisvesting op 1m in het vierkant of huisvesting in de huiskamer en de achtertuin valt sterk te betwijfelen. Qua verzorging geldt in de agrarische sector helaas nog steeds dat het vooral goedkoop moet. Bij de verzorging van uw huisdier zal echter de gezondheid voorop staan en niet de spaarpot. Dat er qua voeding grote verschillen zijn, zal u misschien verbazen. Het klopt dat het verschil in voedingsbehoefte tussen varkens en varkens van nature heel klein is. Het voedselpakket van een wild zwijn zal ook prima voldoen voor een minivarken. Maar helaas is voor minivarkens dat pakket nergens verkrijgbaar. 

De naam 'minivarken' kan misleidend zijn. De ervaring heeft ons geleerd dat mensen bij 'mini' vaak aan het formaat van een cavia denken. Een cavia, ook wel ¨Guinea Pig¨ genoemd, is vanzelfsprekend geen echt varken, maar een knaagdier.

In verhouding met een landbouwvarken van 200 kg tot 300 kg is een minivarken klein. Maar in verhouding met onze traditionele huisdieren zoals konijn, cavia en kat is een minivarken redelijk groot. De gemiddelde hoogte van een minivarken is maximaal 56 cm met een lengte (van neus tot staart) van 80 cm tot 100 cm en een gewicht van 35 kg tot 80 kg.

De staart van een minivarken behoort recht te zijn met vaak aan het uiteinde een pluimpje. Wanneer de staart maar enigszins naar krullen neigt kunt u er vanuit gaan dat het dier met een 'gewoon' vleesvarken is gekruist.

Belangrijk punt bij aanschaf is te vragen of beide ouderdieren, dus zowel de zeug alsook de beer te zien is. Zo krijgt u de beste indicatie van uiteindelijke grootte. Het biggetje dient minimaal 6 weken oud te zijn. Liever 8 tot 10 weken oud.

Een ongecastreerde beer is geen geschikt hobby- huisdier. Ten eerste heeft het de 'stinkende' berenlucht en de beer heeft bovendien snel doorgroeiende, gevaarlijke en vlijmscherpe hoektanden welke, vaak onbedoeld, een gevaar kunnen zijn voor mens en dier.

Wanneer een zeug af en toe toegang krijgt tot binnenshuis is een sterilisatie raadzaam. Een zeug wordt om de 21 dagen berig, voor een periode van drie tot vier dagen en zij kan dan last hebben van stemmingswisselingen, chagrijnig zijn, langdurig gillen, bijtgraag zijn of willen uitbreken om op zoek te gaan naar een beer. Zij zal tevens tijdens haar berigheid haar zindelijkheidstraining 'vergeten' omdat zij haar geur overal wil verspreiden om zo een eventuele bereidwillige beer te lokken.

Geef nooit en te nimmer een big cadeau. Ook niet wanneer gedacht wordt dat iemand het wel een leuke grap zal vinden of omdat iemand gek is op varkens. Dit houdt namelijk niet perse in dat iemand daadwerkelijk een varken wil houden.

Schaf nimmer dieren aan bij handelaren of dierenwinkels welke u niet voldoende kunnen voorlichten en niet de juiste en volledige informatie verstrekken t.a.v. wet- en regelgeving en verzorging.

Wat eet een mini varken?

Het voer dat wel verkrijgbaar is voor varkens, is afgestemd op productiedieren. Zo wordt het voer voor vleesvarkens samengesteld met het oog op veel groei per dag en zeugenvoer wordt zo geconcentreerd dat de zeugen in conditie blijven om topprestaties te kunnen leveren. Voor minivarkens is dit alles niet van toepassing. Minivarkens worden gehouden onder andere omstandigheden en kennen een andere activiteit. De gangbare varkensvoeders zijn dan helaas ook niet goed bruikbaar voor minivarkens.

Een varkentje als huisdier zal het best functioneren wanneer de situatie zijn natuurlijke situatie evenaart. Niet alleen een stukje wei of bos waarin het dier zich kan uitleven, het liefst ook een voedselaanbod dat smakelijk en gezond is en waar zijn verteringsapparaat iets mee kan. Hoe functioneert het verteringsapparaat van een varkentje eigenlijk? In het kort zullen we het functioneren van de belangrijkste organen beschrijven bij een gezond varken.  

Vertering

Het verteringsproces begint bij een varken in de mond. Hier wordt speeksel aan het voer toegevoegd. Dit speeksel heeft een functie. Het speeksel bevat een enzym dat zetmeel kan splitsen. Als het varken voer krijgt waar het nauwelijks op hoeft te kauwen, komt er dus weinig speeksel vrij. Als het varken slikt, komt het voedsel in de maag, waar de eerste eiwitsplitsing plaatsvindt. Van de maag komt de voedselbrij in de dunne darm. De dunne darm is bij een varken relatief lang. In de dunne darm leven honderden verschillende bacteriën, elk soort met een eigen specifieke functie. Deze bacteriën zorgen onder andere voor de afbraak van de lichaamsvreemde stoffen. 

Lichaamsvreemde voedingsstoffen (o.a. een aantal aminozuren, vetzuren, enkelvoudige suikers, mineralen en vitaminen) worden via de darmwand opgenomen en afgegeven aan de bloedbaan die naar de lever loopt. Lichaamsvreemde stoffen, zijn stoffen die het dier niet zelf kan aanmaken, maar wel nodig heeft. Van de dunne darm gaat de onverteerde voedselbrij naar de dikke darm. De darmflora in de dikke darm bevat onder andere bacteriën die een deel van de celstof, afkomstig uit de wanden van plantencellen, kunnen afbreken tot goed opneembare, energierijke vetzuren. In de dikke darm vindt ook vorming van vitamine B plaats en onttrekking van water aan de voedselresten. In de dikke darm worden lichaamseigen stoffen afgegeven aan de bloedbaan die rechtstreeks naar het hart loopt. De dikke darm eindigt in de endeldarm waar dagelijks de uitwerpselen worden gevormd. De uitwerpselen bevatten onverteerbare voedselresten en niet opgenomen voedselresten. De niet opgenomen deeltjes gaan op den duur rotten en zorgen voor stinkende uitwerpselen.

Bij een goed verteringsproces krijgt de lever de lichaamsvreemde stoffen van de dunne darm aangeleverd. De lever zorgt voor aanmaak van gal, vormt bloedeiwitten en ontgift verscheidene, voor het lichaam schadelijke, stoffen. De nieren hebben een zuiverende werking. Schone delen mogen terug de bloedbaan in, afvalstoffen worden via urine uitgescheiden.

U merkt dat de vertering een erg complex verhaal is. Over voer voor minivarkens was tot het einde van de 20ste eeuw dan ook nauwelijks iets bekend. Wat zijn nu de randvoorwaarden voor minivarkensvoer? Wat moet er absoluut inzitten, en wat hoort er niet in thuis?

Een eerste voorwaarde die aan een voer voor minivarkens gesteld mag worden is dat het voer alle noodzakelijke voedingsstoffen bevat in de juiste verhouding. Noodzakelijke of essentiële voedingsstoffen zijn deze die het dier niet zelf kan aanmaken. Maar alleen een compleet voer is niet voldoende, de darmen van het varken moeten de stofjes ook nog op kunnen nemen. Als de darmflora in de darmen niet compleet is, zal het darmenstelsel bepaalde noodzakelijke voedingsstoffen niet op kunnen nemen. Het gevolg is dat de onbrekende voedingsstofjes in de bloedbaan ervoor kunnen zorgen dat bepaalde organen niet voldoende functioneren. Het gevolg daarvan kan zijn dat er allergische reacties optreden. 

Goede gezondheid begint dus in de darmen. Als daar iets niet opgenomen wordt, werkt dit door naar andere organen met alle gevolgen van dien. De bacteriën die van nature in de darm aanwezig zijn worden door tal van oorzaken gedood, waardoor de opname verslechtert. Hoofdoorzaak is stress! Een dier in stress maakt adrenaline aan, hierbij komt zoveel warmte vrij dat een deel van de darmflora verbrand. De darmflora zal op natuurlijke wijze weer aangevuld worden, maar dit heeft zijn tijd nodig. 

Een duurzamere oplossing is om de goede bacteriën toe te voegen aan het voer. In de natuur gebeurt dit ook omdat daar het woord steriel nog niet uitgevonden is. Een goede gezondheid is nauw gerelateerd aan een goede opname in de darmen. Om een goede opname te garanderen is het verstrekken van goede bacteriën dus een duurzame oplossing.

Fa. Garretsen uit Drempt brengt onder de merknaam Garvo een complete lijn huisdiervoeders op de markt. Garvo ontwikkelde in 1998 een professioneel voer dat totaal is afgestemd op hobbyvarkens, ALFAMIX SWIEN genaamd. Uitgangspunt bij het samenstellen is geweest dat minivarkens en hangbuikzwijntjes zo lang mogelijk gezond moeten kunnen leven. ALFAMIX SWIEN bevat uitsluitend hoogwaardige grondstoffen die voor 100% zijn afgestemd op hobbyvarkens. Het voer bevat alle essentiële voedingsstoffen en bovendien een levende bacteriecultuur die de darmflora in stand houdt. De hoge zuiverheid en opneembaarheid zullen er voor zorgen dat de uitwerpselen van de dieren minder onverteerde delen zullen bevatten waardoor de reuk minder zal zijn. De toegevoegde lecithine in ALFAMIX SWIEN zorgt er voor dat uw dieren geen vet maar spieren zullen ontwikkelen.

ALFAMIX SWIEN is een voedzame mengeling met hele granen, graanvlokken, korrels, brokjes en diverse plantaardige oliën. Kortom; ALFAMIX SWIEN bevat alle benodigde voedingsstoffen voor uw varken in de juiste hoeveelheid en verhouding. Hierdoor zullen alle organen optimaal kunnen functioneren waardoor uw huisdier weerstand kan opbouwen en behouden. Zo kunt u lang genieten van een optimale gezondheid van uw dier.

U vindt de informatie over ALFAMIX SWIEN op de internetsite van Garvo.

Minivarken in Amerika

In Amerika worden sinds eind jaren tachtig 'Potbelly Pigs' (hangbuikzwijntjes) als hobby-huisdier gehouden. De 'Potbelly Pigs' waren in de Verenigde Staten zeer populair en er kan worden gesproken van een rage. Er werden belachelijk hoge prijzen van 1000 tot 5000 euro per big betaald. Soms werd er meer dan 15.000 euro (!) neergelegd voor een fokzeugje. Het was in die tijd hét huisdier dat je moest hebben, het is niet verwonderlijk, gezien de prijzen, dat het vooral populair was bij de Yuppies.

De bekende acteur George Clooney (E.R.) heeft een hangbuikzwijn Max genaamd. Max is een zwart gecastreerd Vietnamees hangbuikzwijn dat het luxe leven leidt van een bekende TV ster. Er wordt een 'glossy' magazine 'Potbelly Pigs' uitgegeven door Sarnan Publishing. In de U.S.A. is het Vietnamese hangbuikzwijn nog steeds het meest populair onder de dwerg- en minivarkensrassen. Sinds eind jaren negentig zijn er volwassen hangbuikzwijnen van onder de 25 kg (selectief kleiner gefokt).

Anno 2004 is deze 'hype' gelukkig een heel stuk minder geworden. Een triest gevolg van zo'n trend is de aanschaf van een dier omwille van de rage. Het zal niemand verbazen dat deze dieren, wanneer de rage over is, het veld dienen te ruimen voor iets 'nieuws'! Zo ook de Potbelly Pigs. Er zijn in Amerika verschillende opvangcentra opgericht waarvan “Pigs a sanctuary” (veilige haven - schuilplaats voor varkens) één van de grootste is. Pigs a Sanctuary vangt meer dan 300 hangbuikzwijnen en andere hobbyvarkens per jaar op en zij helpt bij herplaatsingen. Sue Parkinson richtte “Lil’Orphan Hammies” (kleine weeshammetjes) op in Solvang. Dit is, evenals Pigs a Sanctuary, een organisatie die afgedankte en/of losgelaten hangbuikzwijntjes een nieuw liefdevol onderkomen biedt.

Officieel huisdier

Minivarkens c.q. hangbuikzwijntjes zijn in Amerika officieel als huisdier erkend in juli 2000. Wanneer het varken c.q. zwijn minder dan 45 kg weegt en maximaal een schofthoogte heeft van 56 cm mag het als huisdier gehouden worden. Per huishouden zijn maximaal twee varkens toegestaan. Door deze officiële erkenning kunnen serieuze liefhebbers in de Verenigde Staten een of meer varkens als hobbydier houden.

Geschiedenis in Europa

In de zestiger jaren kwam er in Europa vraag naar een kleiner type varken ten behoeve van de vee-medische wetenschap. De huid en organen van varkens vertonen, helaas voor hen, veel overeenkomsten met die van mensen. Hierdoor zijn op verschillende universiteiten (o.a. Duitsland, Denemarken, V.S. en Japan) de zogenaamde laboratorium-minivarkens gefokt. Een invloedrijk ras waarmee men fokte, is het welbekende Vietnamese hangbuikzwijn. Er zijn diverse soorten minivarkens ontstaan, zoals bijvoorbeeld het Göttinger Miniaturschwein, en het Münchener Miniaturschwein Troll. Vanuit Amerika komt o.a. het Yucatan mini- en micropig, de Minnesota minipig en de Hanford minipig. Er is een aantal dieren van de verschillende soorten / rassen bij dierenparken en particulieren terecht gekomen waardoor vandaag de dag de liefhebber hier ook van kan genieten.

Geschiedenis in Nederland.

In ons eigen land merken we dat er eveneens een grote belangstelling bestaat voor het hobbymatig houden van varkens. Mede door het succes van de film 'Babe' is er in Nederland sinds eind jaren negentig een groeiende belangstelling voor het varken als huisdier. Het varken kan weliswaar een geschikt hobbydier zijn, er is wel een aantal wettelijke regels waar u zich aan dient te houden. En ook belangrijk: het varken als huisdier is alleen geschikt voor serieuze belangstellenden.

Het varken heeft veel positieve eigenschappen. Het is een alleraardigst dier dat zeker niet dom, vies en lui is zoals sommige mensen helaas nog steeds denken.

Dat mensen vooroordelen hebben over varkens komt met name door de manier waarop de vee-industrievarkens werden / worden gehouden. Het varken is echter een zeer intelligent, lief, aanhankelijk, leergierig en gezellig dier met een grote passie voor alles wat met eten te maken heeft. Dat het varken bovendien een schoon en zindelijk dier is, weten niet veel mensen en zal menigeen verbazen.

  • alle varkens die gehouden worden (hobbymatig en professioneel) dienen aangemeld te worden bij de Gezondheid dienst voor Dieren? U krijgt wanneer u minder dan vijf varkens houdt een (hobby-) UBN nummer.
  • varkens kuddedieren zijn en hierom graag met minstens een soortgenootje samenleven?
  • wanneer u meer dan vijf varkens houdt u volgens de wet een beroepsmatig varkensbedrijf heeft met de daarbij behorende milieu-, wet- en regelgeving?
  • uw varkens nooit en te nimmer vlees- en/of vleesresten dient te voeren i.v.m. besmetting en verspreidingsgevaar van o.a. varkenspest?
  • u uw varken niet mag verplaatsen over de openbare weg zonder geldige transportdocumenten van de GD? De enige transporten welke worden toegestaan zijn van hobbyfokker naar particulier en van particulier naar slager / slachthuis.
  • het voor hobbyvarkens verplicht is om oorlabels / merken te dragen?
  • varkens zeer intelligent zijn? Volgens Britse wetenschappers staan zij op de vierde plaats gerangschikt qua intelligentie peil, te weten; eerst de mens, de mensaap dan de dolfijn/walvis en daarna het varken!
  • varkens maar liefst 26 verschillende soorten geluiden kunnen maken, en dus zeer vocaal communiceren?
  • varkens meestal geen goed zicht hebben?
  • er varkens zijn die rouwen om een overleden soortgenoot?


  • Wilt u alles te weten komen over deze bijzondere dieren? Koop dan het boek: Van Minivarken tot Grote vriend, het eerste Nederlandstalige standaardwerk over minivarkens en hangbuikzwijntjes.
  • een uitgebreide site is ook www.minivarkens.com

 

Geiten

De geit (Capra hircus) is een evenhoevige (twee klauwen  per poot)  herkauwer en is nauw verwant aan het schaap (zie kader). Waarschijnlijk werd de geit zo’n 8000-9000 jaar geleden  in Azië gedomesticeerd . Men beschouwt de Bezoargeit (Capra aegagrus) als de stamvorm van de huisgeit.


Als huisdier is de geit door de mens in alle werelddelen ingevoerd, waar ze ook thans nog als koe van de kleine man een niet onbelangrijke rol speelt. Geiten kunnen zich onder sobere omstandigheden goed handhaven.


Er zijn ongeveer 200 verschillende rassen ontstaan door selectie en specifieke fokkerij en wereldwijd zijn er ongeveer 450 miljoen geiten. Aanvankelijk werd de geit in zijn oorspronkelijke droge leefomgeving gehouden voor het vlees, de mest  en de huiden. Veel later ontdekte men in Europa dat de geit ook in staat is om grote hoeveelheden melk te produceren.


Geiten zijn sociaal levende dieren en hun gedrag wordt dan ook voor een groot deel bepaald door onderlinge acties en reacties binnen de kudde. In een kudde geiten is er sprake van een sociale rangorde, deze rangorde wordt regelmatig  opnieuw bepaald , de geiten stoten en ‘bokken’ elkaar. Vooral tijdens voermomenten is dit gedrag duidelijk waarneembaar. De zintuigen van de geit zijn goed ontwikkeld. Geiten hebben een zeer scherp gehoor en een goed gezicht. Ze communiceren veel door te mekkeren.


De geit is van nature een nieuwsgierig dier dat graag een kijkje gaat nemen buiten z’n vertrouwde (afgebakende)  omgeving. Geiten zijn goede springers, en klimmers. Ze staan erom bekend, dat ze koppig zijn (‘een geit leert je vloeken’)  en dat ze allerlei dingen eten. Geiten eten graag gras, kruiden, groenten, plantenscheuten, bladeren en boomschors.

Bron; agroveterinair.ecostyle.nl

 

Een dwerggeit dient de hele dag te beschikken over vers drinkwater. Een emmertje met water die zo in het hok kan worden geplaatst dat de geit er niet in kan keutelen en morsen.  Wel even elke dag de emmer verschonen voor het noodzakelijke verse drinkwater.

Als een dwerggeit gezond is dan heeft ze een glanzende vacht. In het voorjaar en de zomer wordt het haar zeer kort en komt er veel glans op het haar. In de wintertijd wordt onderwol gevormd als een soort isolatielaag. Ze krijgt dan een dik pak haar.

Net als bij alle diersoorten komen bij dwerggeiten allerlei ziekten voor. Als een dwerggeit niet gezond is kunnen de volgende kenmerken voorkomen: Ze staat met een kromme rug, de staart strak tegen de vagina en de poten wat krom gebogen. De haren staan recht over eind en de blik in de ogen is dor.

HIeronder volgt een opsomming van de meest voorkomende ziekten bij dwerggeiten. Twijfelt u aan de gezondheid van de dieren. Schakel dan de dierenarts in.

Leverbot

Leverbot is een soort worm. De opname van het botje verloopt meestal via besmet gras. In de maag aangekomen vreet de nog jonge worm zich door de maagwand heen, komt daarbij in de buikholte terecht, graaft een gang door het leverkapsel en maakt een zwerftocht door het leverweefsel. Tegen de tijd dat het botje volwassen is, is hij gearriveerd in de galgangen (de afvoerkanalen van de lever). In de galgangen legt de volwassen leverbot zijn eieren. De eieren gaan samen met de gal naar de darmen, komen zo in het maagdarmkanaal terecht en komen met de mest weer op het weiland.

Leverbot komt vooral voor wanneer dieren lopen op drassige weilanden. Bijvoorbeeld wanneer er een nat seizoen is of wanneer er een gedeelte van het weiland continu onder water staat. De leverbot heeft een tussengastheer nodig om zich in stand te kunnen houden. Deze tussengastheer, de leverbotslak, leeft in natte en drassige omgeving. Een strenge winter overleeft deze slak gemakkelijk, voor droogte zijn ze zeer gevoelig. Door een betere ontwatering door drainage of schoonhouden van greppels wordt de leefomgeving voor deze slak ongeschikt en daarmee verdwijnt ook de leverbot.

Voor bestrijding van leverbot werken niet de reguliere middelen tegen wormen. Er moet een specifiek middel worden gebruikt. Raadpleeg hiervoor uw dierenarts.

Het bloed

Enterotoxaemie, in de schapenhouderij beter bekend als ‘het bloed’ komt helaas ook bij (dwerg) geiten voor. Clostridium perfringens is de veroorzaker van deze vaak dodelijk verlopende ziekte.

Deze bacterie is in kleine aantallen een niet schadelijke bewoner van de geitendarm, maar kan zich onder bepaalde omstandigheden snel vermeerderen en een zeer agressieve darminfectie veroorzaken.

De precieze oorzaken waardoor dit optreedt zijn niet volledig bekend, maar voeding speelt een belangrijke rol. Bij jonge lammeren vallen de slachtoffers onder dieren die een grote hoeveelheid melk opnemen. Bij oudere lammeren en volwassen dieren wordt een plotselinge opname van een grote hoeveelheid krachtvoer of jong gras als mogelijke oorzaak genoemd. Teveel onverteerde voedseldelen, met name koolhydraten, komen in de darm terecht waardoor Clostridium zich kan vermeerderen (tot enkele miljarden). Hierbij wordt een grote hoeveelheid gifstoffen (toxinen) gevormd.

Deze gifstoffen verspreiden zich vanuit de darm door het lichaam en zijn de uiteindelijke oorzaak van het ziek worden van de geit.

Hoe herkennen je Enterotoxaemie?

De snelst verlopende vorm van Enterotoxaemie wordt gezien bij sterke gezonde lammeren van enkele dagen oud. De dieren vertonen verschijnselen van buikpijn (vaak uitrekken, schoppen met de achterpootjes in de richting van de buik), zijn onrustig, mekkeren vaak, vallen neer en sterven binnen enkele uren. In de ontlasting kan bloed zichtbaar zijn. Doordat de lammetjes heel snel doodgaan worden de ziekteverschijnselen vaak niet gezien, maar worden de lammeren plotseling dood gevonden.

Ook oudere lammeren en volwassen geiten kunnen zo plotseling dood aangetroffen worden ten gevolge van Enterotoxaemie. Bij deze dieren valt vaak de sterk opgezette buik op.

Minder snel verlopende vormen van deze ziekte komen ook voor. De lammetjes worden plotseling slap, rekken zich vaak uit, mekkeren veel, schreeuwen soms (buikpijn) en kunnen diarree met bloed hebben. Later kunnen hersenverschijnselen optreden (zwalken, kopje achterover gooien). De lichaamstemperatuur kan oplopen tot over 40 °C.

Opgemerkt moet worden dat ‘het bloed’ bij dwerggeiten veel minder voorkomt dan bij schapen; met name omdat dwerggeiten over het algemeen een ‘schraler’ rantsoen ter beschikking hebben, en éénlingdracht een zeldzaamheid is. Het gevaar van teveel melkopname door één lam is hierdoor kleiner.

Schurft

Schurft is een huidaandoening die bij vele diersoorten kan voorkomen en dus ook bij dwerggeiten. Schurft wordt veroorzaakt door een mijt, die gangen graaft in de huid van de geit. Het zijn voortdurende huidontstekingen. Bij schurft zie je dat de dieren korsten op de huid vormen. Dit gaat gepaard met jeuk, dus de geiten zullen schuren. Er zijn bij de dierenarts afdoende middelen voor schurft te koop.

Zere bekjes/bekschurft

De ziekte zere bekjes wordt ook wel ecthyma genoemd. Het is een besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door een virus en bij schapen en geiten voorkomt. De huid en de slijmvliezen aan de mond en lippen zijn ontstoken. Er ontstaan blaasjes en zodra die open barsten worden het zweertjes. De ontsteking gaat over in korstvorming. De ziekte wordt nog wel eens verward met mond en klauwzeer. Dieren kunnen elkaar besmetten door direct contact. De ziekte verspreidt zich meestal snel door de kudde, een uitbraak duurt meestal 6-8 weken. Bij zogende dieren bestaat de kans dat ook de tepels en de uier besmet kunnen raken waardoor de kans op een uierontsteking aanwezig is.

Uierontsteking

Heel soms komt bij dwerggeiten uierontsteking (mastitis) voor. We kennen klinische (zichtbare) mastitis en subklinische (onzichtbare). Bij de eerste is de uier rood, hard en gezwollen. Bij de tweede zijn er geen veranderingen aan melk en uier zichtbaar, maar is er wel wat mis, de samenstelling van de melk is niet in orde. Er zijn bacteriën die zowel klinische als een subklinische mastitis kunnen veroorzaken. Tot deze groep behoren vooral de streptococcen en de staphylococcen.

Verder wordt onderscheid gemaakt tussen mastitis door diergebonden bacteriën (str. agalactiae, staphylococcen, str. dysgalactiae en str. uberis) en door omgevingsbacteriën (strooisel, box), (E. Coli).

Uierontsteking is te herkennen aan de harde uier. De lammeren zullen niet meer mogen drinken omdat de uier pijnlijk is. Wanneer wat melk uit de speen wordt getrokken zien we vaak vlokjes in de melk. Uierontsteking is met penicilline goed te genezen. Raadpleeg hiervoor uw dierenarts.

Coli-infecties

Colibacteriën horen bij de flora en fauna van het darmstelsel bij ieder dieren. Ze zijn in evenwicht met het lichaam. Indien dit evenwicht wordt verstoord ten gevolge van weerstandsvermindering door ziekte of stress, steken deze bacteriën de kop. Er zijn vele soorten colibacteriën bekend, er zijn er echter maar enkele die we colibacillose noemen. De verzamelnaam voor deze bacterie is ‘Escherichia coli’, Deze coli wordt ook wel geboortediarree genoemd. Deze komt het meest voor bij lammetjes. De besmetting komt vooral door slechte hygiëne in vuile hokken via de navel. De weerstand van de lammeren wordt groter naarmate ze meer biest hebben gehad, dan lever dit minder problemen op. Wanneer de colibacterie is toegeslagen zien we dat de lammetjes vrij snel na de geboorte ziek en lusteloos worden. De ontlasting wordt dun en ze hebben krampen in de buik. Op het laatst kunnen ze niet meer staan en sterven na een dag ziek te zijn geweest.

Als colibacillose op oudere leeftijd voorkomt verloopt het ziektebeeld iets chronischer. Er is diaree, de dieren krijgen ook weer krampen en kunnen op het laatst niet meer opstaan. Ze maken met de poten fietsende bewegingen en kunnen binnen enkel dagen dood zijn.

Etterige lymfeklierontsteking

Bij dwerggeiten kan de etterige lymfeklierontsteking Caseous Lymphadentis (CL) voorkomen. De aandoening is ook bekend onder de naam pseudotuberculose, kaasachtige lymfeklierontsteking en bultenziekte. De ziekte wordt veroorzaakt door een bacterie die door de huid dringt en zich in een lymfeknoop nestelt. Daar ontstaan abcessen. Dit is te herkennen aan de zogenaamde bulten. De incubatietijd (de tijd totdat het abces aan het opperval te zien is) bedraagt twee tot zes maanden. Soms nog langer. Bij de geit komen de meeste absessen voor aan hals en kop.

Caprine arthritis encefalitis (CAE)

CAE is een virusinfectie bij geiten en vertoont veel overeenkomt met zwoegerziekte. Besmetting treedt op via de moederdieren, via de melk en de biest, maar ook via de uitademingslucht van geïnfecteerde dieren. Na de besmetting duurt het maanden tot soms jaren tot een besmetten geit antistoffen in het bloed tegen het CAE-virus aanmaakt. De virusaandoening wordt gekenmerkt door een langzaam voortschrijdende vermagering en sterfte. Dieren worden dor in de vacht. Daarnaast komen vaak ook verschijnselen voor aan:

Gewrichten, longen, uier en centraal zenuwstelsel. Of alle besmette dieren de ziekteverschijnselen vertonen is niet duidelijk.Mogelijk is vanwege het langzame verlopende karakter van deze ziekte een aantal dieren al van ouderdom gestorven. Een behandeling tegen deze ziekte is niet mogelijk.

Zwoegerziekte

De zwoegerziekte (maedivisna) is een besmettelijke longaandoening van volwassen geiten en schapen en uit zich in: ademhalingsmoeilijkheden (‘zwoegende ademhaling’), sterke vermagering, uierproblemen en minder melkgift. Het wordt veroorzaakt door een virus en is besmettelijk. Voornamelijk dieren op oudere leeftijd laten het ziektebeeld zien. In het begin vermageren de dieren en er komen daarna longklachten, waarbij de ziekte slepend verergerd, met de dood tot gevolg. Plotselinge sterfte kan plaatsvinden na inspanning, opjagen of bijkomende infectie. Er is geen therapie voor ook vaccinatie of inenting is er niet.

Slepende melkziekte (Acetonaemie);

Slepende melkziekte komt heel zelden voor bij hoogdrachtige dwerggeiten, vooral bij meerling dracht. De lammeren vragen zoveel voedsel dat de geit zelf te kort komt. Het suikergehalte in het bloed daalt en de geit tracht dit tekort op te vullen door haar reserves, waaruit suiker gemaakt kan worden. Door deze abnormale stofwisseling stijgt het gehalte aan acetonlichamen in het bloed. (soms kun je de aceton ruiken) De geit wordt suf, loopt onzeker, het gezichtsvermogen gaat achteruit, de eetlust verdwijnt, het dier gaat met een teruggeslagen kop liggen, knarst met de tanden en ademt hoorbaar. Na 1 tot 10 dagen kan het dier overlijden wanneer er niet wordt ingegrepen.

Als het dier ondanks alles nog werpt, treedt spontaan verbetering op.

Ter voorkoming moet voldoende en goed voer verstrekt worden, maar je moet er wel op letten dat het dier niet te vet wordt.

De ziekte kan uitbreken door plotselinge vermindering in hoeveelheid voer of door andere plotselinge veranderingen zoals bijvoorbeeld transport over een langere afstand.

Melkziekte

Melkziekte komt bij dwerggeiten niet vaak voor. Melkziekte komt voornamelijk rond het aflammeren voor, maar kan ook op het einde van de dracht optreden, de beenvorming van de vrucht vraagt dan veel calcium. Het wordt veroorzaakt door een te laag calciumgehalte in het bloed. Dit komt doordat met de melkproductie veel calcium wordt uitgescheden. Het komt met name voor bij dieren die naar verwachting veel melk produceren. De verschijnselen lijken veel op die bij slepende melkziekte. In een later stadium wordt het dier onrustig, gaat met de poten slaan en binnen enkele uren tot enkele dagen gaat het schaap dood. Bij tijdige behandeling van de dierenarts kan het schaap gered worden.

Paratuberculose

Paratuberculose of paratbc is een besmettelijke ziekte, die wordt veroorzaakt door een ongeneeslijke darmontsteking. De aandoening komt vooral voor bij herkauwers. In Nederland wordt de ziekte regelmatig gezien bij runderen en geiten. In de commerciële houderijen richt deze ziekte erg veel schade aan. Begin jaren negentig werd deze ziekte ook in dwerggeitenstallen aangetroffen.

Paratbc wordt door de bacterie Mycobacterium avium subsp. Paratuberculosis veroorzaakt. Deze bacterie behoort tot de groep van tuberculose-bacteriën. Deze bacteriën hebben een zeer lange incubatietijd, dit is de tijd tussen besmetting en de eerste ziekteverschijnselen. Voor paratbc varieert de incubatietijd van anderhalf tot meer dan tien jaar.

De paratbc-bacterie heeft een stevige waslaag, waardoor deze heel lang (meer dan een jaar) buiten het dier kan overleven in bijvoorbeeld voer, mest, water en grond. Onder invloed van UV-straling, zoals bijvoorbeeld zonlicht, gaat de bacterie snel dood.

Besmetting

De paratbc-bacterie slaat voornamelijk toe bij jonge dieren in het eerste levensjaar. Hoe jonger het lam, des te gevoeliger is het voor een paratbc-infectie. Een lam kan besmet raken doordat het mestresten opneemt via voer, door te likken aan bevuilde oppervlakken of door het drinken van besmette biest of melk.

Een besmet dier kan vanaf tweejarige leeftijd de paratbc-bacterie verspreiden. Aangezien het nooit zeker is dat een geit vrij is van paratbc, kan in principe elke geit ouder dan twee jaar de ziekte overdragen. Dieren die na een leeftijd van een jaar de paratbc-bacterie opnemen, worden niet ziek en zullen geen besmetting overbrengen.

Besmette geiten vertonen in de regel op een leeftijd van drie tot zes jaar ziekteverschijnselen. Het is moeilijk om de verschijnselen van paratbc te herkennen.

Gevolgen

Dieren die besmet zijn met paratuberculose ontwikkelen een ongeneeslijke darminfectie. Dit gaat heel langzaam, waardoor pas op een leeftijd van drie tot zes jaar ziekteverschijnselen zijn te zien.

Dit zijn de volgende: daling van de melkgift, afnemende conditie (ondanks een goede eetlust), laag geboortegewicht van de lammeren, uiteindelijk aanhoudende diarree, waarbij vaak gasbelletjes zichtbaar zijn en sterfte. Opvallend is dat er bij paratbc geen koorts optreedt.

Doordat de verschijnselen ook bij andere ziekten voorkomen, blijft paratbc vaak lang onopgemerkt.

De bacterie nestelt zich in de darmwand en veroorzaakt een zeer langzaam verlopende darmontsteking. De bacterie verspreidt zich vanuit de darm via de bloedbaan naar onder andere de uier van het besmette dier. Mest, melk en biest van besmette dieren vormen de belangrijkste besmettingsbronnen van paratbc. Via de baarmoeder kan het ongeboren lam al worden besmet.

Gevaccineerd

Toen paratuberculose bij dwerggeiten veel werd vastgesteld werd er door de dierenarts gevaccineerd. Dit werkte vaak prima en er konden dieren mee worden gered. Sinds de Gezondheidsdienst voor Dieren een bestrijdingsprogramma heeft opgezet is vaccineren niet meer toegestaan. Het vaccin was vrij agressief en liet bultjes achter op de plek waar de injectie heeft plaats gevonden.  (zie ook http://www.huisjebiobeestje.nl/page/vaccineren-ja-of-neey)


Ontwormen

Maagdarmwormziekten kunnen bij dwerggeiten veel voorkomen. Daarom is het noodzakelijk om enkele keren per jaar te ontwormen. Te vaak ontwormen is ook niet goed want dit verhoogt de kans op resistentie.

Op een weiland waar eerder schapen of geiten gelopen hebben kunnen geïnfecteerde larven terecht komen. Wanneer deze larven door de dwerggeiten, en met namen de lammeren, worden opgenomen kan dit ziekteverschijnselen opleveren. Deze verschijnselen zijn niet altijd even duidelijk. Meestal ziet u dat de mest niet normaal (korrels) is maar een dikke klont of zelfs diarree. Ontwormen kan door middel van een injectie, door een vloeibaar middel oraal toe te dienen of door een pilletje in te geven. Dit pillen is erg zorgvuldig werk. Zorg er voor dat de pil in de slokdarm en niet in de luchtweg komt. De belangrijkste punten bij het ontwormen zijn:


  • Ontworm alle dieren in het voorjaar voordat ze naar buiten gaan.

  • Gebruik een goed ontwormingsmiddel. Raadpleeg hiervoor uw dierenarts.

  • Dien de juiste dosering toe. Dit is afhankelijk van het lichaamsgewicht van de geit.

  • Ontworm de lammeren als ze minimaal vier tot zes weken oud zijn en minstens twee weken in de weide hebben gelopen.

  • Ontworm niet vaker dan nodig om resistentie te voorkomen. Niet ontwormen is in dit geval beter dan slecht ontwormen


Voeding

Dwerggeiten zijn planteneters en behoren tot de herkauwers. Ze hebben net als de andere herkauwers vier magen: pens, boekmaag, netmaag en lebmaag. Ze eten in relatief korte tijd veel en daarna gaan ze het op hun gemak herkauwen. De spijsvertering wordt bevorderd door de geiten elke dag een flinke verse pluk hooi te geven.

Rantsoen

Een goede voeding voor dwerggeiten bestaat uit een flinke hoeveelheid ruwvoer, een beetje krachtvoer eventueel aangevuld met gedroogd oud brood en onbeperkt vers water. Ruwvoer bevat veel massa en weinig energie. Krachtvoer en oud brood hebben weinig volume en veel energie


Ruwvoer


De meest gebruikte ruwvoeders voor dwerggeiten zijn; gras hooi en stro. Hooi kunt u in principe onbeperkt voeren. Het is voor de spijsvertering zelfs goed om ook de geiten die voldoende gras hebben toch elke dag een pluk hooi te geven. Belangrijk bij het hooi is, dat geiten alleen goed gedijen op fijn hooi van goede kwaliteit. Er bestaat nog wel eens de neiging om geiten het hooi van mindere kwaliteit te geven. Dit is niet terecht. De geiten zijn kieskeurig. Ze eten het hooi van goede kwaliteit beter.


Krachtvoer


Krachtvoer en gedroogd oud brood altijd beperkt verstrekken omdat het veel energie bevat en graag door de geiten opgenomen wordt. Naast veel energie bevat krachtvoer noodzakelijke mineralen en eiwitten. Als basis moeten de geiten daarom iedere dag 100 gram krachtvoer krijgen. Deze hoeveelheid verhogen als de geiten alleen hooi krijgen, gedurende de tweede helft van de dracht en als de wei kaal gevreten is. De hoeveelheid van 100 gram kan dan, afhankelijk van de situatie, verhoogd worden naar 500 gram per dag. Dat laatste kunnen dwerggeiten met lammeren per dag makkelijk op. Soms wordt wel één kilo per dag gegeven, wanneer een oudere geit meerdere lammeren moet grootbrengen.


Dagelijkse voeding


Dwerggeiten die geen lammeren te zogen hebben krijgen voldoende voedingsmiddelen binnen met gras of ’s winters met hooi. Het is belangrijk dat altijd wat krachtvoer wordt bijgevoerd omdat de dieren anders niet aan de benodigde hoeveelheden mineralen en vitaminen komen.


Een dwerggeit is een herkauwer en heeft vier magen. Ze zal een behoorlijke hoeveelheid ruwvoer op kunnen nemen wat ze in haar rustperiode opnieuw kauwt. IN de natuur zal de geit 8 uur eten, 8 uur herkauwen en 8 uur rusten. Het beste kan gewoon hooi als voedingsmiddel worden gebruikt. Ook wordt wel erwtenstro luzernestro of graszaadstro gevoerd maar het gangbare weidehooi, mits goed gedroogd, vinden ze het lekkerst. Voor een dier zonder lammeren wordt als richtlijn gebruikt dat ze 100 – 200 gram krachtvoer per dag moeten hebben voor de nodige voedingsstoffen als mineralen en vitaminen.


Van (snij)mais worden de dwerggeiten snel vet, wat niet gunstig is voor de gezondheid, maar in beperkte mate kan het prima als voedingsmiddel dienen.


Dwerggeiten met lammeren moeten goed bijgevoerd worden om er voor te zorgen dat er voldoende melk voor de lammeren wordt geproduceert. De preciese hoeveelheid is moeilijk om in theorie vast te stellen. Een oudere geit met meerdere lammeren vreet behoorlijk wat meer dan een jeugdig dier met één lammetje. Dit zal de praktijk moeten uitwijzen


Als lekkernij vinden geiten bijvoorbeeld brood, bladeren of appels ook heel lekkers. Vaak moeten ze dit wel leren eten. Belangrijk is dat dit al bijvoeding wordt gebruikt, niet als hoofdvoeding. We moeten er wel op verdacht zijn dat er geen schimmel of rot in dit voedsel zit.

Er bestaan twee soorten likstenen:

  • mineraal-likstenen
  • zoutblok-likstenen

Als men een geit de juiste brokken voert, zoals rundvee A brokken, kalveropfokkorrel, geitenbrokken of hertenbrok, is het niet nodig om een mineralenblok of een zoutblok in de stal te hangen. Hertenbrok bevat overigens meer vitaminen. Het brok moet echter de volgende elementen bevatten; koolhydraten, eiwitten, vetten, mineralen, en vitaminen. Door het voeren van brok, waar deze elementen allemaal in zitten, is de voorziening van mineralen en sporenelementen gegarandeerd. Wanneer men het niet nodig vindt om de geit geen brok te geven, is het echter noodzakelijk dat de geit wel beschikking krijgt over een mineraalblok en zoutblok.

Een mineralenliksteen bestaat uit de volgende spoor- en andere elementen:

  • calcium ( voor opbouw van het skelet en belangrijk voor kalkstofwisseling. Speelt tevens een rol bij de bloedstolling en het gebit )
  • chloor ( chloride ionen zijn nodig voor de regulatie van de osmotische druk, de waterbalans en het zuur-base evenwicht in het lichaam. Tevens is het van belang voor de vorming van zoutzuur in de maag )
  • fosfor ( voor opbouw van het skelet en belangrijk voor kalkstofwisseling)
  • jodium ( beïnvloedt de werking van de schildklier en daarmee de snelheid van het omzetten van energie in het lichaam )
  • kalium ( heeft belangrijke functie bij de celstofwisseling en bij de werking van zenuwen en spieren )
  • koper ( belangrijk bij vorming en instandhouding van het bloed )
  • magnesium ( enzymen in het lichaam hebben magnesium nodig om goed te kunnen werken
  • mangaan ( speelt rol bij vruchtbaarheid )
  • molybdeen ( belangrijk bij vorming en instandhouding van het bloed)
  • natrium ( noodzakelijk voor lichaamsvloeistoffen bloed en lymfebanen )
  • ijzer ( belangrijk bij vorming en instandhouding van het bloed )
  • zink ( maakt deel uit van enkele enzymen en activeert deze. Ook is zink betrokken bij groeiprocessen, vorming van het skelet, hoeven, huid en haar)
  • zwavel ( wordt gebruikt in de opbouw van aminozuren, die op hun beurt weer zorgen voor de aanmaak van eiwitten )
  • selenium ( zorgt voor de vorming van enzymen en heeft een ontgiftende werking )
  • kobalt ( heeft te maken met de productie van rode bloedcellen en speelt een rol bij het functioneren van zenuwen in samenwerking met vitamine B12 )


Een zoutblokliksteen bestaat uit:

  • 98 % zout, hierin zitten echter geen mineralen en spoorelementen.

Elke geit heeft een individuele zoutbehoefte. Dit is afhankelijk van lichaamsgewicht, groeisnelheid, levensfase, drachtigheid, lactatiefase, melkgift, transpiratie en prestatie.

Er mag natuurlijk altijd een liksteen in de stal hangen, maar als het dier de juiste voeding krijgt, is dit niet nodig.


Hoeven bekappen

Eens per twee a drie maanden moeten de hoefjes van de geiten worden bijgewerkt. Dit is afhankelijk van de ondergrond waar de dwerggeiten op lopen. Lopen ze veel op zachte ondergrond dan moet het wat vaker. Lopen ze vaak op harde ondergrond dan is het minder vaak noodzakelijk.

De hoorn groeit langzaam als een soort teennagel en als hierop geen onderhoud wordt gepleegd kunnen er beenproblemen ontstaan. Het bekappen is een klus die alleen kan worden uitgevoerd maar het is makkelijker met twee personen. Een persoon neemt de geit op schoot en de ander heeft zo de vrije hand om de hoefjes bij te snijden. Alle loszittende/overtollige hoorn moet worden verwijderd. Dit voelt de geit niet, hetzelfde als wanneer bij de mens de nagels worden geknipt. Uiteraard moet niet te diep worden gesneden. Hoe ver u moet gaan ziet u op de onderstaande tekeningen. (De beginsituatie in deze tekeningen is vrij extreem, zo ver mag u het niet laten komen). Het snijden wordt meestal uitgevoerd met een scherp zakmes of met een stanleymes. Als er lange punten zijn ontstaan kunnen deze met een stevige schaar of een nijptang worden verwijderd. Wanneer dit goed wordt bijgehouden is het geen moeilijke en zware klus.

Huisvesting

De stal


Dwerggeiten moeten een schuilplaats hebben voor regen en kou. Die schuilplaats kan variëren van een afdakje uit de wind tot een verblijf waar alle dieren hun eigen plekje hebben. De huisvesting kan sober zijn maar de praktijk leert ook dat er paradijselijke onderkomens voor dwerggeiten zijn gebouwd.

In ieder geval moet de stal tochtvrij zijn en een droog onderkomen bieden. Hieraan hebben dwerggeiten namelijk een hekel. Indien men enkele geitjes wil houden dan kan dit in één ruimte. Wordt de kudde groter dan is het raadzaam om meerdere afdelingen te maken. De dieren die onderaan in de rangorde staan worden dan minder verstoten. Wanneer er ook lameren worden geboren is het wenselijk dat ieder dier zijn eigen hok heeft om het verstoten van de lammeren door andere moederdieren te voorkomen. Wanneer er aparte hokken worden gebouwd is het verstandig om de geiten met elkaar in contact te laten blijven door middel van gleuven, mazen, stevig gaas o.i.d. Dit bevordert de rust in de stal. Als standaardmaat voor de aparte afdelingen geldt als algemene richtlijn 1,5 – 2 m2 per dier. Dit is voldoende om een moeder met lammeren te houden. Als hoogte wordt rond de 1 meter aangehouden. Om de lammetjes de gelegenheid te geven bij de moeder uit het hok te komen en zo over de voergang met elkaar te spelen en te dartelen kunnen er luikjes in de hokken worden aangebracht. Deze luikjes kunnen met haakjes of magneten worden bevestigd. De afmetingen van de luikjes zijn rond de 20 cm hoog x 15 cm breed. In eerste instantie vinden de moederdieren die niet prettig maar naar verloop van tijd gaan ze er wel mee akkoord. De lammeren vinden het schitterend en als ze eenmaal de uitweg naar meer speelruimte hebben gevonden zijn ze niet meer te houden. Op deze manier kunnen de lammeren ook naar behoefte worden bijgevoerd. Met name bij meerlingen is dit een ideale manier om de individuele voeding van de dieren te sturen.

Zorg er voor dat de stal niet te donker is. In een lichte stal zullen de dieren zich plezieriger en dus beter op hun gemak voelen. Hiervoor kunnen voldoende ramen of lichtdoorlatende dakbedekking uitkomst bieden. Ook TL-licht wordt veel gebruikt in dwerggeitenstallen.

Ventilatie is noodzakelijk in een dwerggeitenstal. Er wordt de nodige ammoniak geproduceerd en deze moet worden afgevoerd. Uiteraard moeten die dieren kunnen beschikken over frisse lucht. Er kan natuurlijk worden geventileerd door een deur open te zetten of door een ventilatiesysteem in de stal in te bouwen (open nok en luiken aan de zijkant).

Ook is mechanische ventilatie mogelijk waarbij door een ventilator een bepaalde luchtstroming wordt gecreëerd. Pas hierbij op dat er geen tocht ontstaat.

Isolatie van de stal is niet beslist noodzakelijk. Dwerggeiten kunnen vrij goed tegen een lagere temperatuur. Indien u er voor kiest om vroeg in het voorjaar lammeren geboren te laten worden dan dient u er wel voor te zorgen dat de stal vorstvrij is. Dwerggeitenhouders die met de dieren naar tentoonstellingen gaan kiezen er doorgaans voor om hun stallen te isoleren omdat de dieren dan minder dik in de beharing zijn en vroeger in het seizoen in een mooie conditie komen.

De ondergrond van de hokken moet verhard zijn. Om milieutechnische redenen mag er geen doorlatende ondergrond worden gemaakt zodat de gier in de grond kan zakken. Om te zorgen dat er zo veel mogelijk vocht wordt opgenomen wordt geadviseerd om eerst een laagje zaagsel in de hokken te strooien zodat hierdoor het meeste vocht wordt opgenomen. Daar bovenop een laag stro zodat de geiten een lekker ligbed hebben.

In het hok horen ook bakjes voor het krachtvoer. Als de dieren in groepshuisvesting worden gehouden is het verstandig om op meerde plaatsen voerbakken te hangen. Deze voerbakken dienen op een hoogte van rond de 50 cm te worden bevestigd. Niet te hoog omdat de lammeren er niet bij kunnen; niet te laag omdat anders mogelijk de bakken worden vervuild. Sommige dwerggeitenhouders hebben een systeem gebouwd waarbij de bakken na het eten uit de hokken worden gehaald zodat de geiten er niet in kunnen gaan staan en de bakken niet worden vervuild.

De hooiruif kan het beste worden bevestigd op een hoogte van 80 – 100 cm met mazen van rond de 3 tot 5 centimeter. De mazen moeten niet te ruim zijn omdat anders te veel hooi verloren gaat.

Speelweide

Als het mooi weer is gaat een dwerggeit graag naar buiten. Is het guur, een harde wind of regent het dan zullen ze niet gauw vrijwillig buiten te vinden zijn. Als de weide moet worden aangelegd kunt u dit door een loonwerkbedrijf laten doen. Zij weten ook welk grasmengsel u het beste kunt gebruiken.

Wanneer u zelf het gras gaat inzaaien dient u te zorgen voor een omgespitte en daarna gerolde zode. Over welk grasmengsel u moet gebruiken kunt u zich het beste laten informeren door de leverancier.

Klauteren

Dwerggeiten zijn klauterdieren; hun voorouders klommen immers in de bergen. Ze mogen graag op dingen klimmen en springen. Als u een klautermogelijkheid in de wei bouwt zullen zowel jong als oud hier veelvuldig gebruik van maken. Vooral de jongen lammeren zullen u veel voldoening en kijkplezier geven. In de Nederlandse geitenweiden komt een scala aan klautermogelijkheden voor. Van een hoop stenen tot een volledige stellage tot een paar loopplanken, als de dieren er maar naar hartelust op kunnen spelen.

Afrastering

Voor het houden van dwerggeiten zijn meerdere afrasteringmethoden mogelijk. In waterrijke gebieden is een natuurlijke afrastering mogelijk. Echter het risico dat een dwerggeit of een lammetje te water raakt willen de meest houders niet lopen. Hoewel dit een goedkope oplossing is, is het geen raadzame.

De meeste weitjes voor dwerggeiten worden afgezet met gaas. Het meest geschikt hiervoor is het zogenoemde harmonicagaas. De mazen van dit gaas zijn klein genoeg. Ook de lammetjes kunnen hieruit niet ontsnappen of met hun kopje vast komen te zitten. Het nadeel van dit gaas is dat de geiten het lekker vinden om zich er langs te schuren. Het gaas gaat dan bol staan. Hier is wat tegen te doen door er een prikkeldraadje of een stroomdraadje langs te trekken op ongeveer 20-30 cm hoogte.

Het zogenoemde gepuntlaste gaas zal niet gaan vervormen en zal langer een mooie omheining vormen, maar is duurder dan het harmonicagaas.

Een alternatief voor gaas is een schapennet. Dit is een afrastering dat volledig onder stroom staat. Het nadeel van dit systeem is dat er veel stroom weglekt indien er gras tegen het gaas gaat groeien en de dieren zich minder gehinderd voelen door het net

De hoogte van het gaas moet ongeveer een meter zijn. In de meeste gevallen is 80 cm ook genoeg maar sommige dwerggeiten kunnen behoorlijk springen, dus het is beter om wat hoger aan te houden.

Fruitbomen in een geitenweide zijn alleen een lang leven beschoren wanneer deze goed worden omheind.


 BRON; www.dwerggeiten.nl

 

 

 Vogels

Vogels zijn warmbloedige dieren met veren en vleugels. Daarmee kunnen ze meestal vliegen (maar pinguins en struisvogels kunnen dat niet). Ze leggen eieren om nakomelingen te produceren. Ze kunnen zingen, zijn levendig, kleurrijk.

Er zijn heel veel verschillende vogels verdeeld over bijna 10.000 soorten. Globaal zijn ze in te delen in twee groepen:

De struisvogelachtigen en de overige vogels. Hieronder vallen onder andere de volgende vogelsoorten: pinguins, eendvogels, duiven, hoendervogels, kraanvogelachtige, papegaaiachtigen, roofvogels, uilen, spechtvogels en de zangvogels.

Ook worden de vogels ingedeeld naar de voeding die ze eten, bijvoorbeeld insecteneters, zaadeters, vleeseters, vruchteneters enz.

Vogels kunnen sterk van elkaar verschillen, maar allemaal worden ze geboren met vleugels en dons. Het dons maakt als vogels ouder worden plaats voor donsveren (warme, isolerende onderlaag) en dekveren. Veren gaan niet een volledig vogelleven mee, maar vallen regelmatig uit en worden dan vervangen. Dit heet ‘ruien’ en vindt meestal in de herfst plaats.

De snavel van een vogel vertelt veel over de leefwijze. Zo hebben zaadeters een kegelvormige snavel en roofvogels een haakvormige snavel. Eenden hebben een zeefsnavel om het voedsel uit het water te kunnen filteren. Net als de snavel vertellen ook de poten veel over een vogel. Eenden hebben echte zwempoten met brede zwemvliezen, terwijl vogels die veel op stokken zitten poten hebben waarvan de tenen om de stok heen krullen.

Veel vogels “zingen”. Ze maken geen geluid met het strottenhoofd zoals mensen, maar met behulp van trillende lippen en membranen in de zogenaamde syrinx dat uniek is voor vogels.

Een bijzondere vogel is de papegaai. Dit zijn intelligente vogels die wel 70 jaar oud kunnen worden. Als gemakkelijk houdbare vogelsoorten worden genoemd: de kanarie, zebravink, agapronis en de grasparkiet. De grootste, zwaarste en snelste loopvogel is de struisvogel, die wel 2,5 meter groot kan worden. De kleinste vogels zijn de kolibries. Sommige soorten hiervan wegen slechts enkele grammen en kunnen in de lucht blijven stilhangen door heel snel met de vleugels te slaan.

GEDRAG

Socialisatie (gewenning aan omgang met mensen) kan worden vergeleken met het opvoeden van een kind. Duidelijkheid en consequent zijn is van belang. De gemakkelijk houdbare vogelsoorten stellen niet veel (extra) eisen aan socialisatie.

Een (post)duif of een roofvogel heeft daarentegen meer aandacht nodig. Een papegaai is een zeer sociaal ingesteld en intelligent dier en heeft heel veel aandacht nodig. Veel vogels kunnen handtam gemaakt worden. Door dit rustig aan op te bouwen, kan in veel gevallen een vogel zo tam worden dat hij uit de hand komt eten. Sommige vogelsoorten komen ook wel eens bij huisgenoten op schouders of op het hoofd zitten. Een vrouwtjesvogel heet een ‘pop’ en als ze vruchtbaar is, is ze ‘broeds’.

VOEDING

De voeding van een vogel luistert heel nauw. Niet alleen moet de juiste soort voeding worden gegeven, granen en zaden, vlees, vruchten of insecten, maar ook moet er niet te eenzijdig worden gevoerd. Bij papegaaien die alleen zaden krijgen ontstaan vitaminetekorten. Ze worden dan ziek en gaan uiteindelijk dood. Ook kan een vogel geen dag zonder eten.

Dit komt door de hoge stofwisseling die ze hebben. Omdat er zoveel vogelsoorten zijn, kan het beste specifiek advies worden gevraagd aan de winkel of bij de kweker.

Voor vogels, zoals de kanarie, zebravink, dwergpapegaai en grasparkiet eten voornamelijk zaden zijn in de dierenspeciaalzaak speciale zaadmengsels te koop. Vogels ontdoppen het zaad en eten het binnenste op. Door in het bakje te blazen zie je hoeveel zaden er nog in zitten. Vogels hebben iedere dag ook krachtvoer nodig. Als ze jongen hebben, moeten ze over opfokvoer kunnen beschikken. Naast zaad en krachtvoer moet in de kooi ook wat grit en maagkiezel aanwezig zijn. Dat is onder andere nodig voor de botgroei en een goede werking van de maag. Veel vogels vinden groenvoer erg lekker en hier zitten belangrijke vitaminen in. Zitten de vogels in een volière, laat dan nooit voedsel achter op de voedertafel. Dit trekt ongedierte zoals muizen aan. Alle vogels moeten altijd vers water ter beschikking hebben om te drinken.

Huisvesting

Vogels worden in een kooi gehouden. De kooi moet op tochtvrije plek en nooit in de volle zon staan. De ruimte tussen de tralies mag niet te groot zijn. Sommige vogels klauteren graag (bv. parkieten, papegaaien) en dan behoren naast horizontale spijlen een ladder tot de uitrusting van een vogelkooi. Voor zangvogels kunnen kooien met verticale spijlen worden gebruikt. De bodembedekking in een kooi is afhankelijk van de soort vogel en kan bestaan uit schelpenzand of scherp metselzand.

De bodembedekking moet iedere twee weken worden ververst. Als de kooi te weinig wordt verschoond ontstaan er risico’s op darminfecties. Zorg voor voldoende zitgelegenheid. In een kooi moeten minimaal twee ronde zitstokken zijn. De stokken moeten zo dik zijn dat de teentjes van de vogel de zitstok bijna kunnen omvatten. Voor kleine vogeltjes mag de tralieafstand niet te groot zijn.

Als een vogel redelijk tam is, kan hij eventueel vrij in de kamer rondvliegen, dat brengt alleen wel een zeker risico met zich mee. Zorg ervoor dat de vogel veel hoge plekken heeft om te landen en dat de kamer goed is afgesloten. Doe de gordijnen dicht om te voorkomen dat de vogel tegen de ramen opvliegt. Pas op met eventuele giftige kamerplanten en met de aanwezigheid van andere huisdieren, zoals katten. Laat de vogel tijdens het vliegen nooit alleen. Als u de vogel moet vangen, kan dat het beste als alles verduisterd is. Veel vogels zien in het donker niet veel. Speelgoed mag natuurlijk niet ontbreken in de kooi. Verveling kan gedragsproblemen veroorzaken, zoals verenpikken. Vogels kunnen op jonge leeftijd aan speelgoed wennen, er is veel keuze in de dierenwinkel zoals een belletje, trapje, spiegeltje, klimtouwen en een paar houten wasknijpers. Kromsnaveltjes spelen ook graag met lege toiletrolletjes en houten garenklosjes.

Volière

Vogels worden ook wel buiten in een grote kooi, de zogenaamde volière, gehouden. In een volière kunnen verschillende dikke en dunne stokken, takken of twijgen worden aangebracht. Ze zijn geschikt voor onder andere kanaries, zebravinken en grasparkieten. Wel is het belangrijk dat er een tochtvrij nachthok aanwezig is. De vogels moeten droog en uit de wind kunnen slapen. Zitstokken mogen niet van ijzer zijn omdat de vogels in de winter met de poten daaraan vast kunnen vriezen. Denk bij het schoonmaken niet alleen aan de bodem, maar ook aan de stokken. Die kunnen ook vies worden.

Als de dagen kouder worden in de herfst, winter maar soms ook het voorjaar, hebben vogels meer energie nodig om hun lichaamstemperatuur op peil te houden. Vorstvrij drinkwater moet altijd beschikbaar zijn. Als men er suiker of honing door doet, krijgt de vogel extra calorieën binnen en bevriest het water niet zo snel. Welke maatregelen er precies moeten worden genomen hangt af van de vogelsoorten en het seizoen.

De meeste vogelsoorten vinden het fijn om in bad te gaan. Geef de vogel daarom ook een badje, waarvan het water dagelijks wordt verschoond. Wilt u geen waterbadje in de kooi, zorg er dan op een andere manier voor dat een vogel minimaal twee keer per week een bad kan nemen.

 

BRON: LICG.nl , maandblad "Dierjournaal" , verder bewerkt, met toevoeging uit eigen ervaringen